An Introduction to Mimetic Theory

•March 12, 2011 • 14 Comments

SCROLL DOWN FOR RECENT POSTS AND VIDEOS

CLICK HERE FOR FAQs (FROM RAVEN FOUNDATION)

KLIK HIER VOOR VERTALING VAN FAQs OVER MT

I compiled the following documentary film on the origin of cultures, in three parts, introducing some major topics of mimetic theory and René Girard’s thinking. Transcription of the videos (in English & Dutch) is available below, beneath PART III.

PART I of the film explores the fundamental role of mimesis (imitation) in human development on several levels (biological, psychological, sociological, cultural). René Girard’s originality lies in his  introduction of a connection between this old philosophical concept and human desire. He speaks of a certain mimetic desire and ascribes to it a vital role in our social interaction. It explains our often competitive and envious tendencies. More specifically, Girard considers mimetic desire as the source for a type of conflict that is foundational to the way human culture originates and develops. In his view the primal cultural institutions are religious. Following a sociologist like Émile Durkheim, Girard first considers religion as a means to organize our social fabric, and to manage violence within communities.

The more specific question the first part of this documentary tries to answer is the following: where do sacrifices, as rituals belonging to the first signs of human culture, originally come from? How can they be explained? Click to watch:

PART II starts off with a summary and then further insists on the fundamental role of the so-called scapegoat mechanism in the origin of religious and cultural phenomena.

PART III explores the world of mythology and human storytelling in the light of Girard’s theory on certain types of culture founding conflicts and scapegoat mechanisms. Girard comes to surprising conclusions regarding storytelling in Judeo-Christian Scripture. 

CLICK HERE FOR FULL VIDEO TRANSCRIPTION (PDF)

KLIK HIER VOOR EEN VERTALING (PDF)

KLIK HIER VOOR EEN OVERZICHT (PDF)

Course material derived from Vrouwen, Jezus en rock-‘n-roll (Averbode, 2009), click here.

Cursusmateriaal afgeleid van Vrouwen, Jezus en rock-‘n-roll (Averbode, 2009), klik hier.

De Narcist

•June 17, 2015 • Leave a Comment

1. NARCIST OF REALIST?

selfie-syndromeBob ligt niet wakker van wat andere mensen over hem zeggen of denken. Hij weet dat hij kan zingen, ook al beweren de jury’s van The Voice, Idool, X Factor en Belgium’s Got Talent dat zijn kwaliteiten elders liggen. Het hardnekkige geloof van Bob in zichzelf zou bewonderenswaardig zijn als het niet zo tragikomisch was, want ook voor de televisiekijkers is het duidelijk: Bob zingt kattenvals. Blijkbaar kan hij deze werkelijkheid evenwel niet aanvaarden omdat zijn gevoel van eigenwaarde volledig afhankelijk is van een illusoir zelfbeeld. Na het zoveelste negatieve oordeel van een jury stormt hij dan ook met veel misbaar de auditieruimte uit, in zijn verontwaardiging nog trotser dan voorheen. Het is duidelijk dat Bob een narcist is van de eerste orde. Hij is niet in staat om van zichzelf te houden en zijn beperkingen te aanvaarden. Liever leeft hij in de (grootheids)waan dat het oordeel van “de anderen” op onkunde is gebaseerd.

my faults are all your fault

Tweeduizend jaar geleden loopt er in Palestina ook een man rond, een zekere Jezus uit Nazaret, die zich weinig gelegen laat aan het oordeel van zijn medemensen – in zijn geval meestal zijn joodse volksgenoten. De hem omringende “jury” van joodse notabelen (onder wie hogepriesters en schriftgeleerden) laakt hem als hij de maaltijd deelt met “tollenaars en zondaars” (zie bijvoorbeeld Lucas 15, 1-2). Of als hij zich inlaat met zieken en “heidenen”, de zogezegd door God vervloekten. Uiteindelijk gewagen zijn tegenstanders zelfs van een kritiek die eeuwen later een echo vindt in het werk van de Duitse filosoof Friedrich Nietzsche (1844-1900): Jezus is de ultieme verleider van door minderwaardigheidscomplexen geteisterde zielen. Het is gemakkelijk om je geliefd te maken bij de mensen die zich vernederd, uitgerangeerd of onzeker voelen door te vertellen dat ze bemind worden door God.

Als Jezus geen erkenning vindt bij de heersers van zijn tijd wordt dat ruimschoots gecompenseerd door de erkenning die hij geniet van het gewone volk. Bob kan hier alleen maar van dromen. Hij moet het doen met de troostende bevestiging van een handvol “vrienden”. Misschien zit daar ook wel een manipulator bij die Bob emotioneel afhankelijk maakt van de positieve aandacht die hij Bob schenkt. Hoe het ook zij, Jezus schijnt een veel grotere en geraffineerdere aandachtshoer dan Bob. De maatschappelijke elite beschouwt Jezus’ groeiende populariteit zelfs als een bedreiging voor het voortbestaan van de joodse natie. Gedreven door een waanzinnige machtswellust zou Jezus immers een bij voorbaat verloren opstand kunnen ontketenen tegen de Romeinse bezetters. Vandaar de mening van de joodse leiders dat Jezus moet verdwijnen.

Deze redenering, die de terechtstelling van Jezus tracht te rechtvaardigen, krijgt de maatschappelijke elite echter niet aan iedereen verkocht. De evangeliën beweren dat afgunst de werkelijke motivatie vormt van Jezus’ tegenstanders: jaloers op diens populariteit, en zelf bewogen door een ijdel verlangen naar prestige, willen ze Jezus uit de weg ruimen. Zelfs als de evangeliën hieromtrent gelijk zouden hebben, blijft Jezus misschien toch de Übernarcist. Vele malen erger dan de arme Bob. Immers, op het moment dat hij quasi door alles en iedereen veroordeeld of in de steek gelaten wordt, kan Jezus er zichzelf nog van overtuigen dat hij bemind wordt door een imaginair vriendje – zijn goddelijke “papa”, zijn “Abba”. En wat is de liefde van mensen in vergelijking met de liefde van een God? Het lijkt wel alsof Jezus bereid is om het ergste lijden te doorstaan in ruil voor de goddelijke heldenstatus die hem zal toebedeeld worden. Kortom, Jezus verschijnt in dit opzicht als een compleet getikte, narcistische masochist die liever sterft voor een zelf in het leven geroepen imaginaire sadist dan te aanvaarden dat hij niets te betekenen heeft. Er rest hem niets anders dan deze wereld als een “miskend genie” te verlaten en te kiezen voor de zogezegd “goddelijke dimensie” waar hij thuishoort. Slechts één enkele keer schijnt Jezus aan zijn megalomane constructie te twijfelen. Net voor zijn gefolterde, aan het kruis gespijkerde lijf het begeeft, schreeuwt hij (Mt 27, 46): “Eloi, Eloi, lema sabachtani?” Dat betekent: “Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij in de steek gelaten?” Niettemin, zelfs dan spreekt hij nog tot een goddelijke papa die hem liefde zou moeten betuigen.

selfie pics healingDe aldus geportretteerde Jezus – het archetype van de narcist – vindt vele varianten in concrete personen doorheen de geschiedenis. Hij zou overigens geen archetype zijn als niet ieder mens narcistische neigingen kent. Maar natuurlijk zijn er uitgesproken gevallen. Bob bijvoorbeeld. Maar ook de IS-strijder die zich afkeert van de wereld waarin hij zich miskend voelt en in de plaats daarvan kiest voor een omgeving waarin hij zogezegd “aan de zijde van God” vertoeft. Of het onzekere meisje dat zich opsluit in de verheerlijking van een gehaaide, manipulerende goeroe die haar hunker naar bevestiging uitbuit. Of iemand als Adolf Hitler, die liever uit het leven stapt dan zijn nederlaag onder ogen te zien.

scientists-have-announced-a-new-unit-to-accurately-measure-narcissism-the-selfie-per-hourEn toch… Wie de evangeliën leest, kan zich moeilijk van de indruk ontdoen dat er iets anders aan de hand is bij die Jezus van Nazaret dan bij Bob, de IS-strijder en het onzekere meisje. Of dan bij de gehaaide goeroe en Adolf Hitler. C.S. Lewis (1898-1963) verwoordt het heel scherp in zijn boek Onversneden Christendom: “Ik probeer te voorkomen dat iemand de werkelijk dwaze uitspraak doet die mensen vaak over Jezus doen: ‘Ik ben bereid om Jezus te accepteren als een groots moreel leraar, maar ik accepteer niet de claim dat Hij God is.’ Dat is de éne uitspraak die we niet kunnen doen. Een man die niets meer was dan een gewone mens maar die het soort dingen zei die Jezus zei zou geen groots moreel leraar zijn. Hij zou of een gek zijn – op het niveau van de man die beweert een gepocheerd ei te zijn – of zelfs de Duivel van de Hel. Je moet een keuze maken. Of deze man was, en is, de Zoon van God; of hij was een gek of iets ergers. Je kan Hem opsluiten als een idioot, je kan Hem bespuwen en Hem als een demon vermoorden; of je kan aan zijn voeten neervallen en Hem Heer en God noemen. Maar laten we niet beginnen met die paternalistische nonsens over wat een groots menselijk leermeester Hij was. Hij heeft ons die optie niet gelaten. Dat was ook niet zijn bedoeling.”

Korter geformuleerd luidt het dilemma van Lewis (in de lijn van al het voorgaande): ofwel was Jezus de narcist bij uitstek, ofwel was hij de ultieme realist in een mensenwereld die keer op keer ten onder dreigt te gaan aan allerlei snobistische ijdelheden, idealistische utopieën, sektarische tendensen en “de afgodendienst van het sociale prestige”. Als ultieme realist in een door narcistische illusies gekwelde mensenwereld zou hij dan inderdaad “van een andere wereld” zijn.

2. WAAROM JEZUS VAN NAZARET GEEN NARCIST IS

Er zijn redenen om althans ten minste al aan te nemen dat Jezus niet de narcist is waarvoor hij zojuist is versleten.

Een eerste vaststelling is dat precies hij vaak degene is die mensen confronteert met hun eigen narcistische trekken. In het bijzijn van, bijvoorbeeld, een groep mensen die op het punt staat om een overspelige vrouw te stenigen (Joh 8, 1-11), brengt Jezus ieder individu enige realiteitszin bij. Hij vraagt aan de mensen om te overwegen in welke mate ze zelf “zonder zonde” zijn. Waarna hij besluit dat wie zonder zonde is een eerste steen mag werpen. Op het eerste gezicht is dit louter een slim trucje waarmee Jezus controle verwerft over de situatie. Geen enkele jood zou immers van zichzelf beweren volmaakt te zijn. Dat zou betekenen dat die van zichzelf beweert als God te zijn, en dan zou het eerste van de tien geboden overtreden worden. Niemand kan dus een steen werpen, want dat zou zelf een van de grootste zonden zijn. Op een dieper niveau is het precies Jezus’ volgehouden “beeldenstorm” van valse zelfconcepten die, los van de eventuele maatschappelijke positie die Jezus zelf daardoor bereikt, nieuwe relaties tussen mensen mogelijk maakt.

Een tweede argument contra de portrettering van Jezus als narcist dringt zich op. Jezus’ zogenaamde beeldenstorm kent twee aspecten en ze verduidelijken al meteen hoe grondig Jezus verschilt van goeroes die de gemanipuleerde adoratie nodig hebben van verzwakte geesten.

not peace but a swordAan de ene kant, in de groep waartoe iemand behoort en die zich vaak manifesteert ten koste van een gemeenschappelijke vijand (bijvoorbeeld die overspelige vrouw), zaait Jezus tweedracht. Niet toevallig beweert hij (Mt 10, 34-36): “Ik ben geen vrede komen brengen, maar een zwaard. Want Ik ben gekomen om een wig te drijven tussen zoon en vader, tussen dochter en moeder, tussen schoondochter en schoonmoeder; ja, huisgenoten worden vijanden.” Deze intentie van Jezus, om conflict te brengen waar een bepaalde orde heerst, vormt paradoxaal genoeg een pleidooi tegen geweld. Familieleden die slaafs gehoorzamen aan een pater familias, stamgenoten die zich eensgezind superieur wanen aan andere groepen, criminele bendes die een blinde trouw zweren aan de maffiabaas, sekteleden en fundamentalistische gelovigen die bereid zijn om voor hun leider te strijden tot de dood, angstige werknemers die in een verziekte werkomgeving hun ziel verkopen om hun job te behouden, al dan niet jeugdige kliekjes die de interne samenhorigheid versterken door zich over te geven aan pestgedrag, hele naties die dansen naar de pijpen van een populistische dictator en zogenaamde “volksverraders” executeren – Jezus moet er niet van weten.

Pax Romana Crucifixion Via AppiaTegenover de kleine en grote “vredes” die gebaseerd zijn op onderdrukking en geweld, waarvan de Pax Romana in Jezus’ tijd natuurlijk een duidelijk geval is, plaatst Jezus de uitdaging om op een andere manier “vrede” te bewerken. Familieleden die tot een “thuis” behoren waar ze met elkaar kunnen discussiëren, leden van twee vijandige stammen die eeuwenoude vetes beslechten door de eigen beeldvorming van “de andere stam” in vraag te stellen, criminelen die als “mollen” beginnen te functioneren en hun gewelddadige maffiabende helpen op te rollen, fundamentalisten die – beseffend wat ze de zogezegd “niet-uitverkorenen” soms aandoen – zichzelf bevrijden van religieuze indoctrinaties, werknemers die een schrikbewind op de werkvloer aanklagen, individuen die de rechtvaardigingen voor het pestgedrag van hun eigen kliekje bekritiseren, pacifisten die het conflict durven aan te gaan met het gewelddadige bewind van een dictatuur en die haar “vijandbeelden” als groteske karikaturen ontmaskeren – Jezus moet er van weten. Bemin uw vijand”, zegt Jezus (Mt 5, 44). Wie de externe vijand van zijn eigen groep niet langer veroordeelt op basis van een opgeklopt superioriteitsgevoel, creëert intern verdeeldheid: “Huisgenoten worden vijanden.” Dat is de logica zelve.

Peace I leave with youKortom, Jezus pleit voor niet-gewelddadig conflict om een einde te stellen aan gewelddadige vrede. Vandaar dat hij uiteindelijk kan zeggen (Joh 14, 27): “Vrede laat Ik jullie na, mijn eigen vrede geef Ik jullie, een andere dan de wereld te bieden heeft.” Daarbij laat hij niet na om bestaande structuren te herijken en te transformeren, eerder dan ze simpelweg te vernietigen. Dit is overigens een derde reden om Jezus niet als een machtswellustige, na-ijverige narcist te karakteriseren. Jezus vervangt de bestaande, wereldse orde niet door, in concurrentie daarmee, zijn eigen wetten te stellen. Indien dat wel het geval zou zijn, dan zou hij niets anders zijn dan het zoveelste boosaardige en paranoïde meesterbrein dat megalomane complotten beraamt voor wereldheerschappij. Dat Jezus historisch ervaren wordt als iemand die de afgunstige machtsdrang van zijn omgeving niet imiteert, verduidelijkt onder andere de evangelist Matteüs door het mythologische verhaal te vertellen van Jezus’ beproeving door de duivel in de woestijn (Mt 4, 8-10):

Blake - Kingdoms

De duivel nam Jezus mee naar een zeer hoge berg. Hij liet Hem alle koninkrijken van de wereld zien met al hun pracht, en zei: ‘Dit alles zal ik U geven, als U voor mij in aanbidding neervalt.’ Toen zei Jezus hem: ‘Ga weg, satan. Want er staat geschreven: De Heer uw God zult u aanbidden en Hem alleen dienen.’

Wat “God dienen” inhoudt, verwoordt Jezus ondubbelzinnig in een gesprek met een wetgeleerde (Mt 22, 35-40):

Een wetgeleerde vroeg Jezus, om Jezus op de proef te stellen: ‘Meester, wat is het grootste gebod in de wet?’ Jezus zei hem: ‘U zult de Heer uw God liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dat is het grootste en eerste gebod. Het tweede is daaraan gelijk: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangen heel de Wet en de Profeten.’

Met andere woorden, christelijk gezien openbaart God zich – althans op het niveau van de mens – in de niet direct meetbare, onzichtbare realiteit van de naastenliefde (ook wel barmhartigheid genoemd). Jezus is er letterlijk van doordrongen dat de bron van waaruit hij leeft “barmhartigheid wil, geen offer” (Mt 9, 13). Deze overtuiging heeft paradoxale consequenties. Ze houdt, zoals reeds vermeld, ten eerste al in dat Jezus, gehoorzamend aan de dynamiek van die liefde, niet aanstuurt op het offer van de bestaande wereldse structuren om een eigen heerschappij te vestigen. Hij zegt dan ook (Mt 5, 17):

“Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten op te heffen. Ik ben niet gekomen om ze op te heffen, maar om ze te vervullen.”

Het primaat van de naastenliefde houdt in dat bestaande wetten, structuren en rituelen afgetoetst worden aan de mate waarin ze al dan niet tegemoet komen aan het vermijden van slachtoffers en het in stand houden van een authentiek mensenleven. De mens moet niet leven in functie van regels, als zou het onderhouden van een maatschappelijk systeem en zijn regels een doel op zich zijn, maar regels moeten middelen zijn ten dienste van mens en samenleving. Als Jezus en zijn leerlingen commentaar krijgen op het feit dat ze strikt genomen, volgens de joodse wet, zaken doen die op de rustdag – de sabbat – verboden zijn, antwoordt Jezus dan ook (Mc 2, 27):

“De sabbat is er voor de mens, en niet de mens voor de sabbat.”

Eigenlijk stelt Jezus doorheen de evangeliën voortdurend de vraag of mensen handelen vanuit liefde voor zichzelf en anderen (wat de christelijke traditie identificeert met “handelen vanuit God”), of vanuit de liefde voor een of andere sociale status die erkenning moet opleveren (wat de christelijke traditie identificeert met “handelen omwille van een afgod”). Jezus bekritiseert de handelingswijze van bepaalde mensen als die zich voordoet in functie van het verlangen naar erkenning (Mt 6, 1-6):

“Pas op dat jullie je gerechtigheid niet doen voor het oog van de mensen, om door hen gezien te worden. Anders wacht je geen loon bij jullie Vader in de hemel. Dus wanneer je barmhartig bent, loop er dan niet mee te koop, zoals de schijnheiligen dat doen in de synagogen en op straat, om door de mensen geprezen te worden. Ik verzeker jullie, ze hebben hun loon al. Maar als jij barmhartig bent, laat dan je linkerhand niet weten wat je rechter doet, opdat je barmhartigheid in het verborgene gebeurt; en je Vader, die in het verborgene ziet, zal het je lonen. En wanneer je bidt, wees dan niet als de schijnheiligen; zij staan graag in de synagogen en op de hoeken van de straten te bidden, om op te vallen bij de mensen. Ik verzeker jullie, ze hebben hun loon al. Maar als je bidt, ga dan je binnenkamer in, doe de deur dicht, bid tot je Vader, die in het verborgene is; en je Vader, die in het verborgene ziet, zal het je lonen.”

Deze tekst kan op het eerste gezicht gelezen worden als een bevestiging voor een waanzinnig en wanhopig narcisme van Jezus: wie het risico loopt om niet erkend te worden door andere mensen – zoals Jezus zelf –, kan altijd rekenen op de erkenning van een imaginaire goddelijke “papa”. Alleen is de “Vader, die in het verborgene ís” de liefde zélf die zich realiseert onafhankelijk van de vraag of ze al dan niet “succes” oplevert. Christelijk gezien is de liefde die mensen in staat stelt om zichzelf en hun medemensen te aanvaarden – en die dus “offers weigert” – niet iets dat de erkenning van God oplevert, maar een manifestatie van God zélf “op mensenmaat”. De eerste brief van Johannes verwoordt deze overtuiging haarfijn (1 Joh 4, 7-8):

God is LoveGeliefden, laten wij elkaar liefhebben, want de liefde komt van God. Iedereen die liefheeft is uit God geboren, en kent God. De mens zonder liefde kent God niet, want God is liefde.

De atheïst die er prat op gaat dat hij “geen goddelijke beloning” nodig heeft “om goed te doen”, loopt nog altijd te koop met zijn eigen “goedheid”. De liefde waarover de evangeliën spreken is bij uitstek niet altijd onmiddellijk zichtbaar, en ook niet afhankelijk van zichtbaarheid. Werpt bijvoorbeeld een leerling op de speelplaats afval in de vuilnisbak uit respect voor zijn medeleerlingen? Of omdat hij de goedkeuring verlangt van zijn leerkrachten en, tegelijk, omdat hij wil vermijden dat hij zou gestraft worden? Het is inderdaad niet onmiddellijk zichtbaar of een leerling zich aan bepaalde regels houdt en meewerkt aan een bepaalde orde uit naastenliefde of uit liefde voor zijn imago. In het laatste geval wordt hij altijd ook gedreven door de angst om niet aan dat imago te voldoen. Alweer slaat de eerste brief van Johannes de nagel op de kop (1 Joh 4, 18):

De liefde laat geen ruimte voor angst; volmaakte liefde sluit angst uit, want angst veronderstelt straf. In iemand die angst kent, is de liefde geen werkelijkheid geworden.

Wie angstig is, heeft de neiging om zich te richten naar veronderstelde verwachtingen van “betekenisvolle” anderen om er erkenning van te krijgen. Deze dynamiek is evenwel tragisch, en Jezus verwoordt dit zeer scherp in de evangeliën (Mt 16, 25a-26a):

Jamaican reggae star Bob Marley (1945 - 1981).   (Photo by Keystone/Getty Images)

“Wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Wat zal het een mens baten als hij de hele wereld wint, maar zichzelf schade toebrengt?”

Wie, vanuit angstige onzekerheid of romantische megalomanie, droomt van een utopisch geluksparadijs (“de perfecte partner” of “de perfecte job” of zelfs “de perfecte samenleving”), vertoont nogal eens masochistische trekken. Mensen zouden inderdaad letterlijk hun ziel, lijf en leden verkopen als je ze kan wijsmaken dat ze daarmee een “hele wereld” verwerven. De mens die aldus een al te laag of een al te hoog zelfbeeld ontwikkelt, is uiteindelijk niet meer geïnteresseerd in zichzelf, en is eigenlijk ook niet geïnteresseerd in anderen. Hij is slechts geïnteresseerd in anderen in de mate dat die het verlangen naar erkenning bevredigen. Daarnaast gaan die anderen ook geen relatie aan met de naar erkenning hunkerende persoon zélf, maar met een imago. Kortom, de persoon die zichzelf modelleert naar een imago dat erkenning moet opleveren, wordt dus uiteindelijk niet erkend om wie hij is. Vandaar: “Wie zijn leven wil redden, zal het verliezen.”

Bovendien offeren mensen niet alleen zichzelf op aan de bekommernis om een sociaal aanvaardbaar imago. Om hun imago of narcistisch zelfconcept te beschermen, moeten vroeg of laat ook andere mensen eraan geloven. En precies daartegen reageert Jezus.

Bob Marley money is numbersWie handelt vanuit het verlangen naar erkenning en zichzelf verliest, is eigenlijk “dood”. In termen van het Nieuwe Testament heeft zo iemand “het eeuwig leven niet blijvend in zich”. Hij moet zijn identiteit immers voortdurend aanpassen aan steeds wisselende en dus immer vergankelijke imago’s om sociaal te “scoren”. Wie het spel om sociaal succes wil winnen, zal moeilijk kunnen verkroppen dat iemand anders ook erkenning krijgt en jaloers worden. Als je de ander alleen kan beschouwen als een hatelijke concurrent voor je eigen positie, zie je hem liever verdwijnen. In extremis ook letterlijk. Daarop wijst de bekende mythe uit Genesis over Kaïn en Abel. Beide broers geven een geschenk. Kaïn kan evenwel niet verdragen dat het geschenk van zijn jongere broer Abel meer geapprecieerd wordt. Daaruit blijkt dat Kaïn geen geschenk geeft uit liefde, om iemand gelukkig te maken – anders zou hij blij zijn dat de geadresseerde welbehagen schept in het geschenk van zijn broer -, maar wel vanuit zijn verlangen naar erkenning. Bijbels gezien zijn handelingen vanuit “de liefde voor een imago dat erkenning moet opleveren” zondig en staan ze de zogenaamd “goede” handelingen vanuit “liefde voor zichzelf en de ander” in de weg. Wat natuurlijk niet betekent dat erkenning verwerven op zich slecht is. Als de erkenning die iemand ten deel valt, en de trots die hij daarbij ondervindt, het onbedoelde gevolg zijn van zijn handelingen, is er geen probleem. De moordzuchtige jaloezie bij de archetypische Kaïn kan alleen ontstaan omdat hij leeft in functie van zijn verlangen naar erkenning, omdat het “trots kunnen zijn” zijn doel is. Omdat Kaïn obsessief bezig is met wat hij zogezegd mist, blijft hij daarenboven blind voor de aandacht die hem wel degelijk geschonken wordt. In het Nieuwe Testament worden zulke motieven uit de joodse Bijbel op een radicale wijze hernomen, en de eerste brief van Johannes formuleert alweer niet toevallig (1 Joh 3, 11-15):

from death to lifeDit is de boodschap die u vanaf het begin gehoord hebt: dat wij elkaar moeten liefhebben. Wij mogen niet zijn zoals Kaïn, die een kind van de boze was en zijn broer vermoordde. En waarom vermoordde hij hem? Omdat zijn eigen daden slecht waren en die van zijn broer goed. Broeders en zusters, wees niet verwonderd als de wereld u haat. Wij zijn overgegaan van de dood naar het leven; wij weten het, omdat wij onze broeders liefhebben. De mens zonder liefde is nog in het gebied van de dood. Ieder die zijn broeder haat, is een moordenaar, en u weet dat een moordenaar het eeuwig leven niet blijvend in zich heeft.

De auteurs van het Nieuwe Testament voeren de mogelijkheid om de narcistische competitie voor “de meest verheven sociale status” te staken terug op een liefde die in Jezus van Nazaret een uitzonderlijke belichaming krijgt. Zij proberen te verduidelijken dat Jezus van Nazaret keer op keer aan mensen de mogelijkheid schenkt om te verrijzen – naar de zopas vermelde woorden uit de eerste brief van Johannes: Jezus schenkt aan mensen de mogelijkheid om “over te gaan van de dood (een leven in functie van sociaal aanvaardbare imago’s) naar het leven (een waarachtig leven in liefde)”. Natuurlijk houdt dat risico’s in. Wie niet langer leeft in functie van een wereld gedomineerd door de hang naar prestige, omdat hij het wil opnemen voor de slachtoffers van de strijd om dat prestige, “moet niet verwonderd zijn dat de wereld hem haat”. Niettemin, in plaats van zich af te vragen waaraan hij moet voldoen “om erbij te horen”, vraagt Jezus zich af hoe hij ervoor kan zorgen “dat zij die er niet bij horen er weer bij kunnen horen”. Een gebed dat toegeschreven wordt aan Franciscus van Assisi (1181/1182-1226) vraagt dan ook om zich in deze dynamiek in te schrijven: “Maak dat ik er niet naar streef om bemind te worden, maar om te beminnen…” Dit is het tweede aspect van Jezus’ hoger vermelde beeldenstorm. Het is onmiddellijk ook een vierde argument tegen diens portrettering als narcist. Als Jezus het opneemt voor de gemeenschappelijke vijand of het gemakkelijke slachtoffer van een eensgezinde groep, dan heeft hij niet de ambitie om die persoon van de groep – zijn sociale omgeving – te vervreemden. Goeroes die uit zijn op de erkenning van gemakkelijk te manipuleren slachtoffers, halen de mensen die ze zogezegd “redden” doelbewust weg uit hun omgeving om ze aan zich te binden. Jezus plaatst telkens weer gemeenschappen voor de uitdaging om de individuen die ze marginaliseerden op een of andere manier toch een plaats te geven. Als hij bijvoorbeeld een bezetene uit Gerasa geneest (Mc 5, 1-20), verbiedt hij deze voormalige “dorpsgek” om hem te volgen. In de plaats daarvan stuurt Jezus hem terug naar zijn thuis. Onder andere hieruit blijkt dat het niet Jezus zijn doel is om zich populair te maken bij een aantal volgelingen, hoewel dat natuurlijk vaak een onbedoeld gevolg is. Uit alle verhalen blijkt dat Jezus, los van zichzelf, relaties van liefde tussen mensen wil mogelijk maken, relaties die niet gebaseerd zijn op offers als gevolg van de liefde voor sociaal aanvaardbare imago’s. Samengevat: de paradoxale liefdesdynamiek waaraan Jezus tracht te gehoorzamen vervreemdt mensen van hun eigen narcistische identiteitsopvattingen (collectief of individueel), en opent de weg voor waarachtiger relaties die het offer van een voormalige “vijand” weigeren.

Martin-Luther-King-Jr-Responsible-Quotes

Zoals reeds vermeld, is het optreden van Jezus niet zonder gevaren. Wie het voortdurend opneemt voor “de sociaal gekruisigden”, loopt het gevaar om zelf ook gekruisigd te worden. Aldus geschiedt. Voor alle duidelijkheid: Jezus hoopt niet heimelijk dat hij zal gekruisigd worden om als “held” de geschiedenis in te gaan. Als hij het opneemt voor de overspelige vrouw hoopt hij dat de menigte haar barmhartigheid zal betonen. Hij hoopt niet stiekem dat de menigte haar én hem zal stenigen. Dat is althans de indruk die de evangeliën wekken. Ze vertellen ook verschillende keren hoe Jezus vlucht als hij merkt dat mensen hem willen doden. Uiteindelijk zal echter het moorddadige net dat zijn tegenstanders spannen zich rondom Jezus sluiten. Zoals later ook iemand als Martin Luther King (1929-1968), is Jezus zich welbewust van bepaalde doodsbedreigingen, en hij waarschuwt zijn apostelen dat er een moment zal komen waarop er geen weg meer terug is. Petrus wil dit aanvankelijk niet aanvaarden, waarop Jezus hem terechtwijst (Mt 16, 22-26a):

Petrus nam Jezus apart en begon Hem de les te lezen: ‘God beware U, Heer! Dat mag U niet overkomen.’ Maar Hij van zijn kant zei tegen Petrus: ‘Weg daar, achter Mij, satan. Je bent een struikelblok voor Mij, want jouw gedachten zijn niet Gods gedachten, maar die van mensen.’ Toen zei Jezus tegen zijn leerlingen: ‘Als iemand achter Mij aan wil komen, laat hij dan met zichzelf breken, zijn kruis opnemen en Mij volgen. Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Wie zijn leven verliest vanwege Mij, zal het vinden. Want wat zal het een mens baten als hij de hele wereld wint, maar zichzelf schade toebrengt?’

Jezus weet dat Petrus hem tracht te verleiden om zich als een machtige koning te manifesteren. Blijkbaar heeft Petrus niet door wat voor soort leiderschap Jezus eigenlijk beoogt, hoewel hij Jezus even tevoren wel “Messias” heeft genoemd. Opnieuw wijst Jezus de bekoring af om zijn ziel te verkopen in een concurrentiestrijd met “de koningen van deze wereld”. Hij weet immers dat de strijd om de hoogst mogelijke maatschappelijke status offers vraagt, dat mensen zowel zichzelf als anderen verliezen aan die strijd. En dat wil hij niet. In de plaats daarvan wil hij een andere dynamiek op gang brengen. Jezus beweert dat “wie zijn leven verliest vanwege Hem het zal vinden”. En ook dit is alweer de logica zelve. Wie kiest voor de sociaal gemarginaliseerde medemens, verliest zichzelf niet aan de afgodendienst van een sociaal aanvaardbaar imago, en “vindt” dus zichzelf. Jezus staat uiteindelijk op de positie van al wie wordt uitgestoten. Als zijn goede vriend Petrus het na zijn arrestatie voor hem zou opnemen in plaats van hem te verloochenen, dan zou Petrus zich inderdaad niet verliezen aan een leugenachtig sociaal profiel.

Crowning of Thorns CaravaggioOndanks alle mooie beloftes van Petrus – die Jezus opnieuw als narcistische illusies zal ontmaskeren – staat Jezus er ten slotte alleen voor. Zoals hij al heeft aangekondigd, weigert Jezus de – in de woorden van René Girard – mimetische rivaliteit met “de heersers van deze wereld” die hun macht vestigen op basis van offers. Paradoxaal genoeg betekent dit dat Jezus, als hij het blijft opnemen voor wie slachtoffer dreigt te worden, op een bepaald moment inderdaad misschien geen barmhartigheid meer zal ondervinden en bereid zal moeten zijn om zelf te sterven – zich met andere woorden “te offeren tegen het offer”. Nogmaals: omdat Jezus weigert “zichzelf te kruisigen” ten voordele van een verheven, alles controlerende machtspositie en omdat hij het opneemt voor wie gekruisigd wordt, loopt hij het risico om gekruisigd te worden. Wie het opneemt voor de gepeste, loopt het gevaar om zelf gepest te worden. Als Jezus dan bidt tot zijn “Vader” om, indien mogelijk, “de kelk van lijden en dood” aan hem te laten voorbijgaan, en er vervolgens bij zegt dat “niet zijn wil, maar de wil van zijn Vader geschiedde” (Mt 26, 39), is het niet echt plausibel om deze zin te interpreteren als zou Jezus plotseling wél geloven in een God die “offers wil”. Heel het evangelie door is Jezus er immers van overtuigd dat zijn Vader “barmhartigheid wil, en geen offer” (Mt 9, 13), en hij handelt ook consequent vanuit die dynamiek: waar mensen geofferd dreigen te worden, grijpt hij in. Maar als Jezus weigert om de rivaliteit aan te gaan met wie zijn heerschappij en positie vestigt op basis van offers, rest hem geen andere uitkomst dan in te calculeren dat hij kan sterven. Gehoorzamend aan de barmhartigheid die geen offers wil, kan Jezus geen chaotische burgeroorlog ontketenen die de samenleving in het verderf stort. Tijdens zijn ondervraging door Pilatus zegt de gearresteerde Jezus dan ook (Joh 18, 36): “Mijn koningschap is niet van deze wereld. Als mijn koningschap van deze wereld was, zouden mijn dienaars er wel voor gevochten hebben dat ik niet werd overgeleverd. Mijn koningschap is echter niet van deze wereld.”

Deze uitspraak ligt in de lijn van eerdere beweringen van Jezus. Bijvoorbeeld op het moment dat farizeeën hem voor de zoveelste keer op de proef komen stellen. Eigenaardig genoeg beginnen die met de vaststelling dat Jezus niet wakker ligt van wat andere mensen over hem denken, en tegelijk suggereren ze dat de in hun ogen “arrogante man uit Nazaret” blijkbaar genoeg heeft aan de erkenning van God. Als Jezus op hun vraag (zie verder) zou antwoorden dat de joden belasting moeten betalen aan de keizer, dan zou hij de populariteit bij het gewone volk verliezen – hij zou immers als een “collaborateur” van de bezetter beschouwd worden. Als hij daarentegen zou zeggen dat de joden geen belasting mogen betalen, dan zouden de jaloerse joodse autoriteiten hem als een staatsgevaarlijk opstandeling kunnen afschilderen bij de Romeinse overheid, en zich op die manier ontdoen van de man die ze als een concurrent voor hun eigen machtspositie beschouwen. Jezus wordt echter niet gedreven door een verlangen naar deze of gene erkenning of machtspositie. Hij concurreert niet met de koningen en heersers van deze wereld om “de machtigste despoot” te worden. Zijn antwoord ontmaskert op een magistrale wijze het projectieve narcisme van de farizeeën, en maakt ook opnieuw duidelijk dat de God van Christus – de liefde – geen surrogaat of rivaal is voor een eventueel gemiste sociale erkenning (Mt 22, 15-21):

De farizeeën gingen weg en maakten plannen om Jezus in zijn redenering te verstrikken. Ze stuurden hun leerlingen op Hem af, samen met de herodianen. Die zeiden: ‘Meester, we weten dat U een waarheidslievend man bent en naar waarheid onderricht geeft over de weg van God, en U door niemand laat beïnvloeden, want U ziet geen mens naar de ogen. Zeg ons dan wat U hiervan vindt: mag men belasting betalen aan de keizer of niet?’ Maar Jezus, die hun kwalijke opzet doorzag, zei: ‘Waarom stelt u Me op de proef, huichelaars? Laat Mij eens een belastingmunt zien.’ Ze gaven Hem een denarie. Hij zei hun: ‘Van wie is die afbeelding en het opschrift?’ Ze zeiden hem: ‘Van de keizer.’ Daarop zei Hij tegen hen: ‘Geef dan aan de keizer wat van de keizer is en aan God wat van God is.’ Toen ze dat hoorden, stonden ze verbaasd; ze lieten Hem met rust en gingen weg.

Ook zijn eigen leerlingen wijst Jezus terecht als hij bij hen een afgunstige concurrentiestrijd vaststelt om “de grootste” te zijn. Het leiderschap van Jezus is niet gebaseerd op het verwerven van zoveel mogelijk macht in de zin van controle, of op het uitschakelen van mogelijke rivalen. Dienstbare, kwetsbare liefde is scheppend en gunt, vanuit haar overvloed, juist aan anderen de genade en de macht om te “zijn” (Lc 22, 24-27):

Er ontstond onder de leerlingen van Jezus onenigheid over de vraag wie van hen wel het belangrijkst was. Hij zei hun echter: ‘Bij de heidenen spelen koningen de baas, bij hen laten machthebbers zich weldoener noemen. Bij jullie mag dat niet zo zijn. De grootste van jullie moet de minste worden, en de leider de dienaar. Want wie is het belangrijkst? Die aan tafel ligt, of die bedient? Die aan tafel ligt toch zeker! Maar Ik ben in jullie midden de dienaar.’

Met de liefde die Jezus beleeft, kan hij – in de spottende woorden van zijn belagers – inderdaad “anderen redden, maar zichzelf niet” (Mt 27, 42). Het geloof in “een almachtige God” in christelijke zin is dan ook niet het geloof in een God die alle touwtjes in handen heeft (contra bijvoorbeeld Etienne Vermeersch’ onhoudbare opvatting van het christelijke godsbeeld). Het is het geloof in een liefde die zich, onafhankelijk van het uiteindelijke resultaat van haar werking en slechts in deze zin “almachtig” en “scheppend”, telkens opnieuw geeft. Zie bijvoorbeeld het commentaar van de belangrijke katholieke theoloog Hans Urs von Balthasar (1905-1988) bij het Credo, als hij de zin “Ik geloof in God, de almachtige Vader, Schepper van hemel en aarde” uitlegt (uit Credo – Overwegingen bij de Apostolische Geloofsbelijdenis, Schrift en Liturgie 17, Abdij Bethlehem Bonheiden, 1991, p.34-35; vertaling: Benedictinessen van Bonheiden): “Het is… essentieel, in eerste instantie de onvoorstelbare macht van de Vader in de kracht van de overgave van zichzelf te zien, dit betekent in de kracht van zijn liefde, en bijvoorbeeld niet in de willekeur van dit of dat te kunnen. En het is even essentieel de almacht van de liefde van de Vader niet als iets heftigs te verstaan dat ons eerder verdacht lijkt, als iets eruptiefs dat indruist tegen de logica, omdat zijn zelfgave zich tegelijk voordoet als een zichzelf denken, een zichzelf uitzeggen, een zichzelf uitdrukken (vgl. Heb 1,3). […] De al-macht waarmee de Vader zichzelf tot uitdrukking brengt, is evenmin gedwongen, maar tevens oorsprong van alle vrijheid, ook ditmaal niet in de zin van willekeur, maar van de liefde die zichzelf in een verheven zelfbeschikking overgeeft.”

Vanuit het perspectief van een mensenwereld die beheerst wordt door het verlangen naar macht in de zin van controle is deze kwetsbare, maar niettemin onafhankelijke liefde, dwaas. Paulus schrijft dan ook (1 Kor 1, 23): “Wij verkondigen een gekruisigde Christus, voor joden een aanstoot en voor heidenen een dwaasheid.” Christenen geloven dat ook na de zoveelste “slag in het gezicht” de liefde van Christus de kracht vertoont om het slaan niet te imiteren en de genade van “de andere wang aan te bieden” (Lc 6, 29 – aldus is de liefde niet afhankelijk van wat haar is aangedaan en schept ze “ex nihilo” nieuwe mogelijkheden), “tot zeven maal zeventig maal” (Mt 18, 27; metafoor voor “oneindig veel”). Realistisch gesproken zijn relaties in onze nimmer volmaakte mensenwereld inderdaad alleen mogelijk als mensen zich er rekenschap van geven dat niemand perfect is, en dat er dus vele malen wederzijds vergiffenis geschonken moet worden… De dimensie van de vergeving schept de vrijheid waarin mensen tot zichzelf kunnen komen en verantwoordelijkheid kunnen opnemen voor hun fouten (natuurlijk, opnieuw, zonder dat daar evenwel garanties voor zijn). Mensen die zichzelf leren te beminnen, moeten zich niet langer angstvallig verbergen achter een narcistische zelfrechtvaardiging (de pervertering van de vergeving daarentegen houdt narcistische zelfconcepten in stand). De mens die zichzelf bemint is in staat om anderen niet langer te benaderen vanuit een behoefte aan erkenning, maar kan vanuit zijn overvloed – vanuit wat hij weg te schenken heeft – waarachtig anderen beminnen (die hij dan niet langer nodig heeft om eigen “leegtes” op te vullen). Christenen geloven dat de redding van de wereld ligt in de navolging van deze liefdesdynamiek die zich op een uitzonderlijke wijze geopenbaard heeft in het leven van Jezus van Nazaret – die precies hierom “Christus” wordt genoemd.

Een voorlopig laatste argument tegen het portret van Jezus als ultieme narcist is de vaststelling dat Jezus zelf niets heeft geschreven. Alles wat hem wordt toegeschreven of in de mond wordt gelegd komt grotendeels van anderen die willen verduidelijken hoe ze hem ervaren hebben – in dit opzicht “stoeft” hij niet op zichzelf. Het is overigens plausibel om aan te nemen dat Jezus zelf niets heeft geschreven: als de “secundaire” bronnen al met zoveel zorg zijn doorgegeven, zouden de dan zogezegd “primaire” bronnen van Jezus zelf zeker overleefd hebben (of er zou op zijn minst in de secundaire bronnen naar verwezen zijn).

3. DENKGELACHERIG ATHEÏSTISCH NARCISME

De volgehouden logica in de evangeliën en de verder ontwikkelde christelijke traditie, wijst in de richting van “Jezus als ultieme, soms pijnlijk consequente realist in een wereld van narcisten”. [Voor enkele gelijkaardige bedenkingen, in het Engels: klik hier]. Dat bepaalde mensen, ondanks alle rationele argumenten, blind blijven voor die logica, heeft niet te maken met een veronderstelde “vaagheid” van de christelijke bronnen, maar alweer met een koppig narcisme.

God works in mysterious waysFundamentalistische christenen, bijvoorbeeld, hangen nogal eens vast aan het geloof in een almachtige God in een eigenlijk niet-christelijke zin (vanuit al het voorgaande). De ervaring leert dat zij moelijk afstappen van een godsbeeld dat incompatibel is met het godsbeeld dat kan afgeleid worden uit de Christusfiguur van de evangeliën. Als ultieme verdediging van kromme redeneringen trekken zij vaak de kaart van het adagium “Gods wegen zijn ondoorgrondelijk”. Daarmee beëindigen ze iedere vorm van dialoog, discussie en kritische (zelf)reflectie. Maar ook sommige atheïsten houden liever vast aan hun ideeën over het christelijke verhaal (en theologie of zelfs godsdienst in het algemeen) dan dat ze die in vraag zouden stellen. Narcistische, intellectuele zelfgenoegzaamheid is niemand vreemd. Vooral niet als een eerder vijandige opvatting tegenover het christelijke verhaal identiteitsbepalend is. De commentaar van sommige atheïsten, wier blik veelal door negatieve emoties wordt bepaald, op heel het bovenstaande betoog is dan ook voorspelbaar: “Dit is een particuliere, misschien zelfs hoogst individuele interpretatie, en uiteindelijk is het allemaal relatief. Wat kunnen we uiteindelijk weten? Met ‘theologie’ kun je alle kanten op!” Alweer duikt het gemakzuchtige en laffe “argument” van “ondoorgrondelijke wegen” op. Tja, voor wie gelooft in rationele argumenten, ondersteund door wetenschappelijke inzichten (van literatuurwetenschap en geschiedenis tot antropologie) zal de ene interpretatie beter en plausibeler zijn dan de andere. Het is allemaal niet zo “ondoorgrondelijk” of “vaag” of “incoherent”.

Op de vragen “Welke beweringen doet het christelijke verhaal en wat is de essentie van het christelijke geloof?” bestaan wel degelijk antwoorden die, vanuit rationeel en wetenschappelijk verantwoord onderzoek, plausibeler zijn dan andere. Wat narcisten ook mogen beweren. Zowel gelovigen als ongelovigen kunnen een onderzoek instellen naar het antwoord op die vragen.

Wat het intellectuele narcisme van sommige atheïsten betreft, is een “debat” dat georganiseerd werd door Het Denkgelag een mooi voorbeeld. Op 17 oktober 2013 hielden Daniel Dennett, Lawrence Krauss en Massimo Pigliucci onder de modererende leiding van filosoof Maarten Boudry een panelgesprek over “de grenzen van de wetenschap”.

Dit theekransje van atheïsten oversteeg zelden het niveau van filosofische cafépraat, maar misschien was dat wel de bedoeling – om de drempel laag te houden. In ieder geval, je zou denken dat het “om te lachen” was als ze zichzelf niet zo ernstig namen. Genant was onder andere hoe bioloog en filosoof Massimo Pigliucci en filosoof Daniel Dennett aan fysicus Lawrence Krauss moesten uitleggen dat de criteria om te oordelen over het morele of immorele karakter van menselijke daden niet door de wetenschap kunnen bepaald worden. Eens die criteria bepaald zijn – eventueel door langdurig na te denken, dus door “rationaliteit” -, kan wetenschap natuurlijk informatie opleveren aangaande de vraag hoe die morele opvattingen het best in de praktijk worden omgezet. Als je bijvoorbeeld gelooft dat het morele gehalte van een daad bepaald wordt door het geluksniveau dat het oplevert, kun je wetenschappelijk kennis vergaren over de mate waarin een daad in “geluk” resulteert. Op voorwaarde natuurlijk dat je eerst gedefinieerd hebt wat “geluk” dan inhoudt. Wat alweer impliceert dat een filosofische, rationele discussie over “geluk” voorafgaat aan ieder mogelijk wetenschappelijk onderzoek. Het is bijzonder eigenaardig dat dergelijke basisinzichten in het lang en het breed (expliciet een twintigtal minuten) moeten uitgesmeerd worden op een avond die pretendeert een hoogmis voor de rationaliteit te zijn. De aanvankelijke “onenigheid” tussen Pigliucci en Krauss had dan ook geen enkele intellectuele spankracht. Ze was gewoon te wijten aan een gebrekkig inzicht bij Krauss. Pigliucci vat de les wijsbegeerte voor eerstejaarsstudenten uiteindelijk samen (tussen minuut 42:40 en 44:00 van het gesprek):

“Nobody in his right mind, no philosopher in his right mind, I think, is saying that empirical facts, or even some scientific facts – as should be clear by now, I take a more restrictive definition of science or concept of science than Lawrence does – but even if we want to talk about empirical facts, broadly speaking, nobody is denying […] that empirical facts are relevant to ethical decisions. That’s not the question. The question is […] that the empirical facts, most of the times, if not all the times, in ethical decision making, are going to underdetermine those decisions, those value judgements that we make. So the way I think of ethics is of essentially ‘applied rationality’. You start with certain general ideas. Are you adopting a utilitarian framework? Are you adopting a deontological framework, a virtue ethics framework or whatever it is? And then that essentially plays the equivalent role of, sort of, general axioms, if you will, in mathematics or general assumptions in logic. And from there you incorporate knowledge, empirical knowledge, about, among other things, what kind of beings humans are. Ethics, let’s not forget, is about human beings.”

Terecht wees Pigliucci er trouwens op dat Sam Harris in zijn boek The Moral Landscape eigenlijk een gelijkaardige denkfout maakt als Krauss. Harris zal wel veel verdiend hebben aan de verkoop van zijn boek, maar bij nader inzien is het intellectuele volksverlakkerij die weinig om het lijf heeft. Niet verwonderlijk dat Pigliucci er het volgende over zegt (48:22 – 48:44):

the moral landscape“Sam Harris, who you [Maarten Boudry] introduced as a philosopher, I would characterize mostly as a neuroscience based person. I think he would do it that way. When I read his book, ‘The Moral Landscape’ which promised a scientific way of handling ethical questions. I got through the entire book and I didn’t learn anything at all, zero, new about ethics, right?”

Daarnaast ergert Pigliucci zich, opnieuw reagerend op een aantal beweringen van Krauss, aan wetenschappers die generaliserende uitspraken doen over filosofie zonder eigenlijk enig idee te hebben waarover ze spreken (1:12:57 – 1:13:28):

“First of all, most philosophy of science is not at all about helping scientists answer questions. So it is no surprise that it doesn’t. So when people like your colleague Stephen Hawking – to name names – starts out a book and says that philosophy is dead because it hasn’t contributed anything to science, he literally does not know what he is talking about. That is not the point of philosophy of science, most of the time.”

Kortom, de onenigheid die soms dreigde te ontstaan tussen Pigliucci en Dennett aan de ene kant en Krauss aan de andere werd telkens opgelost door Krauss een aantal “bijlessen” te geven. Pigliucci was dan nog zo vriendelijk om dat vaak ietwat onrechtstreeks te doen, maar het is duidelijk dat zijn zojuist vermelde commentaar op Stephen Hawking een manier was om Krauss terecht te wijzen over zijn “red herring” (de herhaalde opmerking van Krauss dat (wetenschaps)filosofie geen bijdragen levert aan wetenschap is irrelevant omdat ze dat ook niet beoogt). Pigliucci besloot deze discussie met een analogie (1:13:59 – 1:14:12):

“So, yes, philosophy of science doesn’t contribute to science, just like science does not contribute to, you know, English literature. Or literary criticism, whatever you want to put it. But so what, no one is blaming the physicists for not coming up with something new about Jane Austen.”

Je zou verwachten dat Pigliucci dergelijke analogie consequent toepast als het gaat om de afbakening van verschillende onderzoeksvelden, maar toen het over theologie ging nam hij plotseling ook de weinig doordachte houding van Krauss aan. Boudry en Dennett sloten zich trouwens eensgezind bij hun gesprekspartners aan. Blijkbaar hadden de atheïsten een doodverklaarde “vijand” gevonden – de theologie – die hen verenigde (1:13:46 – 1:13:48):

Lawrence Krauss: “Well, theology, you could say is a dead field…”
Massimo Pigliucci: “Yes, you can say that. Right!”

Aan het begin van de avond bleek al dat de heren op dit vlak zeker van hun stuk waren:

20:11 – 20:21
Maarten Boudry: “Do you think that science, no matter how you define it, or maybe it depends, has disproven or refuted god’s existence?”

21:10 – 21:30
Lawrence Krauss: “What we can say, and what I think is really important, is that science is inconsistent with every religion in the world. That every organized religion based on scripture and doctrine is inconsistent with science. So they’re all garbage and nonsense. That you can say with definitive authority.”

21:50 – 22:42
Massimo Pigliucci: “I get nervous whenever I hear people talking about ‘the god hypothesis’. Because I think that’s conceding too much. Well, it seems to me, in order to talk about a hypothesis, you really have to have something fairly well articulated, coherent, that makes predictions that are actually falsifiable. All that sort of stuff. […] All these [god-] concepts are incoherent, badly put together, if put together at all. […] There is nothing to defeat there. It’s an incoherent, badly articulated concept.”

De hierboven uitgewerkte paragraaf over de al dan niet narcistische Jezusfiguur van het Nieuwe Testament is een eerste falsificatie van de beweringen van Krauss en Pigliucci. Georganiseerde religie, gebaseerd op zogenoemde openbaringsgeschriften en dogma’s, is niet per definitie inconsistent met wetenschap. Het nieuwtestamentishe godsbeeld is bovendien allesbehalve incoherent. Een korte samenvatting van de vorige paragraaf mag dit verduidelijken.

De mensen die ten grondslag liggen aan de tradities die uiteindelijk resulteren in de geschriften van het Nieuwe Testament geloven dat God zich op het niveau van de mensheid openbaart als een liefde die mensen in staat stelt om op een waarachtige wijze zichzelf en anderen te aanvaarden. Zulke, niet direct zichtbare liefde bevat het potentieel om mensen te bevrijden van een leven in functie van het verlangen naar erkenning of, anders gezegd, van een leven uit liefde voor een onwaarachtig imago dat waardering moet opleveren. De auteurs van het Nieuwe Testament definiëren op die manier wat “redding” (Engels: “salvation”) is: wie zich bemind weet, wordt meer en meer bevrijd van de neiging om zichzelf en anderen op te offeren aan “de afgodendienst van het sociale prestige”. Tegelijk geloven de nieuwtestamentische schrijvers dat de liefde die dergelijke offers weigert op een uitzonderlijke wijze belichaamd wordt in Jezus van Nazaret, die precies hierom “Christus” wordt genoemd en als dusdanig wordt geportretteerd ter navolging.

Via onder andere literatuurwetenschappelijk onderzoek kunnen de heren atheïsten voor zichzelf nagaan in welke mate deze karakterisering van de nieuwtestamentische beweringen de kern van het christelijke geloof bevat. Misschien moeten ze dat eens doen vooraleer ze zich overgeven aan de narcistische pretentie om gezaghebbende uitspraken te doen over “alle theologie”. Het blijft vreemd dat Pigliucci zich ergert aan een fout die sommige natuurwetenschappers soms maken met betrekking tot “filosofie”, terwijl hij zelf die fout maakt met betrekking tot “theologie”. Vandaag houdt theologie zich bezig met het interdisciplinair wetenschappelijk onderzoek naar het godsbeeld van een bepaalde religieuze traditie, en met de eventuele implicaties daarvan. Dit heeft overigens niets te maken met geloven of niet geloven in God. Om een analogie te gebruiken: je moet het uiteindelijk niet eens zijn met het mensbeeld van Shakespeare om een onderzoek in te stellen naar de mensvisie die in zijn werken tot uiting komt. Kortom, de vragen waarmee theologen zich bezighouden zijn van een fundamenteel andere aard dan de vragen waarmee natuurwetenschappers zich bezighouden, en er moeten op een fundamenteel niveau dus ook geen conflicten verwacht worden tussen beide onderzoeksvelden. In de woorden van Pigliucci’s eerder geciteerde analogie om het onderscheid tussen natuurwetenschap en filosofie in de verf te zetten: “No one is blaming the physicists for not coming up with something new about Jane Austen.”

Georges Lemaître and Albert EinsteinMisschien moeten Pigliucci en co maar een voorbeeld nemen aan Georges Lemaître, Belgisch katholiek priester en vermaard fysicus (onder andere grondlegger van de “Big Bang” hypothese). Lemaître maakt een duidelijk onderscheid tussen de vragen waarmee moderne natuurwetenschappers zich bezighouden en de vragen waarmee de auteurs van het Nieuwe Testament bezig zijn. Sterker nog, volgens Lemaître hebben natuurwetenschappelijke vraagstukken niets met theologie te maken, en vice versa. De gelovige natuurwetenschapper kan zijn geloof dan ook geen enkele rol laten spelen in het strikt natuurwetenschappelijke onderzoek. Enkele citaten van Lemaître uit een artikel (klik hier om het te lezen) van Joseph R. Laracy verduidelijken zijn positie aangaande de verhouding tussen de theologie en de moderne natuurwetenschap:

“Should a priest reject relativity because it contains no authoritative exposition on the doctrine of the Trinity? Once you realize that the Bible does not purport to be a textbook of science, the old controversy between religion and science vanishes . . . The doctrine of the Trinity is much more abstruse than anything in relativity or quantum mechanics; but, being necessary for salvation, the doctrine is stated in the Bible. If the theory of relativity had also been necessary for salvation, it would have been revealed to Saint Paul or to Moses . . . As a matter of fact neither Saint Paul nor Moses had the slightest idea of relativity.”

“The Christian researcher has to master and apply with sagacity the technique appropriate to his problem. His investigative means are the same as those of his non-believer colleague . . . In a sense, the researcher makes an abstraction of his faith in his researches. He does this not because his faith could involve him in difficulties, but because it has directly nothing in common with his scientific activity. After all, a Christian does not act differently from any non-believer as far as walking, or running, or swimming is concerned.”

The writers of the Bible were illuminated more or less — some more than others — on the question of salvation. On other questions they were as wise or ignorant as their generation. Hence it is utterly unimportant that errors in historic and scientific fact should be found in the Bible, especially if the errors related to events that were not directly observed by those who wrote about them . . . The idea that because they were right in their doctrine of immortality and salvation they must also be right on all other subjects, is simply the fallacy of people who have an incomplete understanding of why the Bible was given to us at all.”

De vraag naar wat “redding” of “heil” betekent in nieuwtestamentische zin is inderdaad anders dan bijvoorbeeld de vraag waarom en hoe objecten vallen. Zo eenvoudig kan een inzicht zijn om niet langer als een heroïsche maar narcistische Don Quichot “windmolens” te moeten bevechten. Maar een mens moet zich natuurlijk geen illusies maken: de Maarten Boudry’s van deze wereld gaan zelden of nooit de uitdaging aan om hun geloof aangaande de aard van theologie en religie op een wetenschappelijk verantwoorde manier in vraag te stellen. Maar misschien spreekt nu het narcisme van een theoloog :) ?

atheists and fundamentalists

Nochtans draagt Boudry wetenschap hoog in het vaandel. Zijn vraag aan het publiek aan het begin van de avond luidde dan ook (16:58 – 17:30): “Do you think that science is the sole source of knowing?” Er waren veel mensen die bevestigend antwoordden op deze vraag. Dit impliceert dan dat je een persoon die je nog nooit ontmoet hebt beter kent dan een persoon die je iedere dag ziet als je maar accurate en gedetailleerde wetenschappelijke beschrijvingen hebt van de persoon die je nooit bent tegengekomen (en geen wetenschappelijke beschrijvingen van de persoon die je iedere dag ziet). Een beetje een vreemde vaststelling. Ergens zou je toch geneigd zijn om te denken dat je een persoon die zich iedere dag, oprecht en in vertrouwen, aan jou openbaart beter kent dan de wetenschappelijk beschreven persoon die je nooit hebt ontmoet… Of zou de “echte” en “volledige” identiteit van een persoon (zijn “ziel”, om met een oud woord te spreken) te herleiden zijn tot wat er wetenschappelijk kan over gezegd worden? Opnieuw een beetje vreemd dat je de persoonlijkheid van iemand zou “opsluiten” in wetenschappelijke analyses…

Ignatius of LoyolaWat er ook van zij, natuurlijk zijn Maarten Boudry, Massimo Pigliucci, Lawrence Krauss en Daniel Dennett niet louter narcisten. Het is niet omdat ze aangaande theologie weinig zelfkritische ideeën etaleren dat ze op hun eigen onderzoeksdomeinen geen uitstekend werk verrichten. Maar niets menselijks is de mens vreemd. Iedereen is bij tijd en wijle wel eens een narcist. Scholen kunnen een bijdrage leveren om mensen vrijer te maken van hun eigen narcistische impulsen door hen te oefenen in het onderscheiden van hun eigen motivaties: handelen mensen vanuit een narcistisch verlangen naar erkenning, of is de eventuele erkenning die mensen verwerven een gevolg van een liefde die ze ontwikkeld hebben voor mens, natuur en samenleving? In een vierde paragraaf wil ik deze oefening eens maken voor mijn directe werkomgeving, het Sint-Jozefscollege in Aalst – waar precies, als jezuïetenschool in de traditie van Ignatius van Loyola, de “onderscheiding van de geesten” centraal staat.

4. EEN SCHOOL IN NAVOLGING VAN CHRISTUS

De hoger uiteengezette principes van waaruit Jezus van Nazaret leeft, en die ten minste op een school die zich christelijk noemt navolging verdienen, maken concrete observaties en reflecties mogelijk. Ik wil voornamelijk enkele voorbeelden geven voor wat leerlingen, leerkrachten, directie en ouders betreft.

Ten eerste, in het licht van het Nieuwe Testament moet de mens niet leven in functie van regels, als zou het onderhouden van een maatschappelijk systeem en zijn regels een doel op zich zijn, maar regels moeten middelen zijn ten dienste van mens en samenleving. Als Jezus en zijn leerlingen commentaar krijgen op het feit dat ze strikt genomen, volgens de joodse wet, zaken doen die op de rustdag – de sabbat – verboden zijn, antwoordt Jezus dan ook (Mc 2, 27): “De sabbat is er voor de mens en niet de mens voor de sabbat.”

Jezus pleit voor een juiste verhouding tegenover regels, niet zozeer voor het afschaffen ervan – wat wij, als culturele erfgenamen van de evangeliën, “handelen naar de geest van de wet in plaats van naar de letter” zijn gaan noemen (Mt 5, 17): “Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten op te heffen. Ik ben niet gekomen om ze op te heffen, maar om ze te vervullen.” Jezus verkondigt het primaat van de naastenliefde (Mt 22, 37-40): “U zult de Heer uw God liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dat is het grootste en eerste gebod. Het tweede is daaraan gelijk: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangen heel de Wet en de Profeten.” Dit houdt in dat bestaande wetten, structuren en rituelen afgetoetst worden aan de mate waarin ze al dan niet tegemoet komen aan het vermijden van slachtoffers en het in stand houden van een authentiek mensenleven.

SJC AalstHet Sint-Jozefscollege in Aalst is dan ook christelijk in de mate dat:

  • Leerlingen studeren om zichzelf te ontplooien en iets bij te leren, en niet studeren in functie van “goede punten op het rapport”. Rapporten zouden geen doelen mogen zijn maar wel middelen die informatie verschaffen over de mate waarin leerstof verwerkt is.
  • Leerlingen enigszins bevrijd worden van hun spontane of aangeleerde behoeftes om oog te krijgen voor zaken en mensen die ze “niet onmiddellijk nodig” hebben. Interesse en liefde ontwikkelen is een leerproces dat vaak enige inspanning vergt en nogal eens ingaat tegen “de eigen goesting”. In zekere zin zijn we allemaal als de drugsverslaafde die de werkelijkheid benadert vanuit “leegtes” die moeten bevredigd worden. Daardoor zijn we geneigd om ons te richten op wat we “nodig” hebben of “nuttig” achten. Maar de waarde van iets, en zeker van onze naaste, is niet te herleiden tot de mate waarin aan onze behoeftes tegemoet gekomen wordt. Onder andere in de verplichte sociale stage wordt aan leerlingen, inderdaad al eens “tegen hun goesting”, de kans geboden om een ruimere blik te ontwikkelen en vrij te worden voor werelden en mensen die ze niet of minder goed kennen. Of ze altijd het initiatief nemen om die kans te grijpen is natuurlijk een andere zaak. Niettemin, de vraag “Hoe kan dit mij van dienst zijn bij de verovering van mijn plaats in de wereld?” kan in zulke contexten evolueren naar de vraag “Hoe kan ik de wereld en mijn medemensen van dienst zijn?” De werkelijkheid die vanuit eigen leegtes benaderd werd, wordt dan een terrein waarin leerlingen beginnen te leven vanuit hun eigen “overvloed”, vanuit wat ze zelf, met de ontwikkeling van eigen talenten, “weg te schenken” hebben.
  • Leerlingen een ordelijk verloop van de lessen en een nette schoolomgeving in stand houden uit respect en liefde voor de andere “schoolbewoners” en niet louter angstvallig “om straffen te vermijden” of “om beloningen te ontvangen” (bijvoorbeeld de waardering van hun leerkrachten). Leerlingen worden alleszins uitgedaagd om zoveel mogelijk te groeien in naastenliefde, en deze liefde te verkiezen boven de angst om gestraft te worden of boven de liefde voor een profiel dat sociaal prestige moet opleveren – zie 1 Joh 4, 18: De liefde laat geen ruimte voor angst; volmaakte liefde sluit angst uit, want angst veronderstelt straf. In iemand die angst kent, is de liefde geen werkelijkheid geworden.

blame the student blame the teacherKortom, als leerlingen het verwerven van erkenning, rijkdom of een prestigieuze sociale status niet tot doel van hun leven maken, maar eventueel wel ervaren als gevolg van een fundamentele en dienstbare levenskeuze voor hun eigen, ontdekte talenten, dan is een christelijke school al een heel eind geslaagd in haar pedagogische project. Het is immers waar wat Jezus zegt (Mt 16, 25a-26a): “Wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Wat zal het een mens baten als hij de hele wereld wint, maar zichzelf schade toebrengt?” De leerling die koste wat het kost, vanuit een perfectionistische obsessie, wil voldoen aan een studie die eigenlijk niet voor hem is weggelegd – omdat hij daarmee de status en het “geluk” van mensen naar wie hij opkijkt denkt te bereiken –, kwijnt niet zelden weg onder faalangst. Of onder goedkope excuses om zichzelf maar het (narcistische, onrealistische) idee te geven “dat hij het eigenlijk wel kan”. Vaak wordt de schuld voor het eigen falen dan bij anderen (met name leerkrachten) gelegd. Ook ouders houden soms het onrealistische, narcistische zelfbeeld van hun kinderen in stand (voor meer: klik hier om fragmenten uit Hoe narcistisch bent u? te lezen, een artikel uit Knack).

Zeker ook op lange termijn is het psychisch en emotioneel schadelijk om in constante vervreemding van jezelf te leven. Wat rest is dan misschien de permanente roes van antidepressiva om maar niet ten volle met de realiteit van het eigen leven geconfronteerd te worden. Of de even waan-zinnige roes van een snobistisch narcisme dat “pronkt met bezit” om een inhoudelijk leeg en arm, gedesinteresseerd en “uitgeput” leven te compenseren.

Omgekeerd is het ook waar wat Jezus stelt (Mt 16, 25b): “Wie zijn leven verliest omwille van Mij, zal het redden.” Jezus neemt de positie in van de sociaal gemarginaliseerde medemens. Wie liefde ontwikkelt voor de naaste die op een of andere manier “uit de boot” valt en “scheef bekeken” wordt, verliest zich inderdaad minder aan de drang om te voldoen aan “sociaal prestige”, en kan gemakkelijker zichzelf ontdekken en “naar waarheid” leven. De mens die zichzelf beter kan inschatten, kan ook meer bereiken op een manier die duurzaam vreugde biedt, in trouw aan zichzelf. Bill Gates, bijvoorbeeld, werd misschien aanvankelijk door sommigen als een “weirdo” beschouwd, maar het gevolg van de trouw aan zijn roeping is welbekend. Een voetballer als Lionel Messi kan al enkele levens rentenieren, en toch stopt hij niet met voetballen – zijn faam en rijkdom zijn, wederom, maar een gevolg van de spelvreugde van waaruit hij bereid is om nog iedere dag hard te trainen. Of neem de Nobelprijswinnaars: ook voor hen is de sociale erkenning nooit datgene wat hen dreef (soms zelfs integendeel), maar is ze opnieuw een onbedoeld gevolg van een diepe trouw aan een levenslang ontwikkelde passie.

Beware of SnobberyEen school die, geïnspireerd door de zopas gegeven voorbeelden, leerlingen in staat wil stellen om zichzelf te ontdekken en te aanvaarden, zal soms het wensbeeld dat ouders van hun kinderen hebben moeten bijstellen. Niemand, zeker de leerling zelf niet, is er bij gebaat dat frustraties leerlingen ertoe aanzetten om zichzelf te troosten met “narcistische compensaties”. Dat kan alleen vermeden worden als ouders erop vertrouwen dat schoolse evaluaties en eventuele heroriënteringen gebeuren in het belang van hun kind. Het zou op een school niet mogen gaan om een strijd om “erdoor” te zijn – daar leer je immers niets mee. Wel om een project waarin een kind gaandeweg kan ontdekken waar het ten volle tot zijn recht komt – en dat is precies de weg naar waarachtig succes met een duurzame voldoening. Er zijn al genoeg snobistische sukkelaars – imitatoren van de echt grote geesten – in de wereld. Kortom, een school die christelijk wil zijn, zal moeten werken aan een sfeer van vertrouwen, waarin leerlingen, ouders en collega’s zich in kwetsbaarheid aan elkaar kunnen geven.

Het Sint-Jozefscollege in Aalst is verder dan ook christelijk in de mate dat:

  • Het leerlingvolgsysteem ingevuld wordt vanuit de bekommernis voor de leerling, en niet vanuit de angst voor mogelijke betwistingen bij deliberaties.
  • Buitenschoolse projecten en activiteiten ontwikkeld worden in functie van mens en samenleving, en niet omwille van prestige en reputatie.
  • Nieuwe collega’s niet gebukt moeten gaan onder het schrikbewind van oudere collega’s die beweren dat ze de beslissing van de directie over een eventuele aanwerving in positieve of negatieve zin kunnen beïnvloeden. Voor de dynamiek van zulke narcisten, die kicken op macht en aanzien, en die als (valse) messias kwetsbare medemensen “verlossen” van een zelf geïnstalleerde angst in ruil voor bepaalde “diensten”, zou er in een christelijk geïnspireerd opvoedingsproject geen plaats mogen zijn. Mentoren, directie en pedagogische begeleiders staan nieuwe onderwijskrachten dan ook bij om zich verder te bekwamen, niet om hen te bespioneren of zodanig te controleren dat ze van zenuwachtigheid “fouten” beginnen te maken.

test the spirits false prophets

Het schooltoneel op het SJC Aalst van 2014-2015 liet op een ironische manier zien wat de school absoluut niet beoogt. Het stuk, getiteld U weet er niets van!, werd, na een jaar van brainstormsessies met leerlingen, geschreven en geregisseerd door collega en classicus Tom Bruynooghe. Bij wijze van besluit contrasteer ik graag een fragment uit dit “geestige” en inspirerende stuk met enkele fragmenten uit het Nieuwe Testament.

U weet er niets van 2

Uit U weet er niets van! – een directrice die reclame maakt voor haar school:

“Het Sint-Fortunatuscollege is een nieuwe school met maar één doel: onze leerlingen klaarstomen voor een leven waarin winst centraal staat. Na een opleiding bij ons zijn zij in staat lucht te verkopen als ware het hun kostbaarste bezit, zijn zij in staat de grootste fraudeurs vrij te pleiten als waren het de heiligste maagden en bespelen zij de beurs met een zelfde gemak als waarmee een goochelaar een publiek van blinden bespeelt.

U weet er niets van 1Wij van het Sint-Fortunatuscollege houden van discipline en efficiëntie, want efficiëntie verkort de leertijd en tijd is geld. Door het afschaffen van pauzes en vakanties slagen leerlingen bij ons er reeds op vier jaar in zich volledig klaar te stomen voor de wereld van het geld.

Onze leerlingen worden op allerlei mogelijke manieren opgeleid om zich te integreren in de wereld van de elite. Tijdens onze jaarlijkse stage in Knokke – Le Zoute leren we hen om binnen de vijf minuten de exclusiefste boetiekjes te vinden, op onze excursie in de Champagnestreek leren we hen minachtend te spreken over schuimwijn en voor ons jaarlijks diner in de foyer van de opera zorgen we ervoor dat ze kunnen doen alsof ze ook over kunst en cultuur kunnen meepraten. Kortom, na een opleiding bij ons zijn ze klaar om Wall Street, de wetstraat en het golfterrein te veroveren.

Ook u kan snel rijk worden, dus aarzel niet en schrijf uw zoon of dochter snel in!”

Uit de eerste brief van Johannes (1 Joh 2, 15-17):

Verlies uw hart niet aan de wereld of aan de dingen in de wereld! Als iemand de wereld liefheeft, woont de liefde van de Vader niet in hem. Want al wat in de wereld is, de hebzucht, de afgunst en het pronken met bezit, dat alles komt niet van de Vader maar van de wereld. En die wereld gaat voorbij met heel haar begeerlijkheid, maar wie de wil doet van God blijft in eeuwigheid.

Graag herhaal ik de uitleg hierbij uit een voorgaande paragraaf. Wie handelt vanuit het verlangen naar erkenning en zichzelf verliest, is eigenlijk “dood”. In termen van het Nieuwe Testament heeft zo iemand “het eeuwig leven niet blijvend in zich”. Hij moet zijn identiteit immers voortdurend aanpassen aan steeds wisselende en dus immer vergankelijke imago’s om sociaal te “scoren”. Wie het spel om sociaal succes wil winnen, zal ook moeilijk kunnen verkroppen dat iemand anders ook erkenning krijgt en jaloers worden. Als je de aanvankelijk bewonderde ander uiteindelijk alleen maar kan beschouwen als een hatelijke concurrent voor je eigen positie, zie je hem liever verdwijnen. In extremis ook letterlijk. Daarop wijst de bekende mythe uit Genesis over Kaïn en Abel. Beide broers geven een geschenk. Kaïn kan evenwel niet verdragen dat het geschenk van zijn jongere broer Abel meer geapprecieerd wordt. Daaruit blijkt dat Kaïn geen geschenk geeft uit liefde, om iemand gelukkig te maken – anders zou hij blij zijn dat de geadresseerde welbehagen schept in het geschenk van zijn broer -, maar wel vanuit zijn verlangen naar erkenning. Zoals reeds eerder vermeld, herneemt de eerste brief van Johannes (1 Joh 3, 11-15) dit oudtestamentische thema om een oproep te doen aan ieder van ons – stellen we daden uit liefde voor onszelf en anderen, of uit liefde voor het prestige dat we bevestigd willen zien (en waaraan we dan zowel onszelf als anderen opofferen)? In de woorden van de brief is de vraag of wij kunnen “overgaan van de dood (leven in functie van de liefde voor prestige) naar het leven (leven vanuit liefde voor onszelf en anderen)”, of wij kunnen “verrijzen”:

Dit is de boodschap die u vanaf het begin gehoord hebt: dat wij elkaar moeten liefhebben. Wij mogen niet zijn zoals Kaïn, die een kind van de boze was en zijn broer vermoordde. En waarom vermoordde hij hem? Omdat zijn eigen daden slecht waren en die van zijn broer goed. Broeders en zusters, wees niet verwonderd als de wereld u haat. Wij zijn overgegaan van de dood naar het leven; wij weten het, omdat wij onze broeders liefhebben. De mens zonder liefde is nog in het gebied van de dood. Ieder die zijn broeder haat, is een moordenaar, en u weet dat een moordenaar het eeuwig leven niet blijvend in zich heeft.

Pleasantville and Biblical Feminism

•May 16, 2015 • 1 Comment

Once again, this post is a translation from a chapter in my book Vrouwen, Jezus en rock-‘n-roll – Met René Girard naar een dialoog tussen het christelijk verhaal en de populaire cultuur (Women, Jesus and rock-‘n-roll. Taking René Girard to a dialogue between the Christian story and popular culture).

Pleasantville (Gary Ross, 1998) is a movie about the twins David and Jennifer who miraculously end up in David’s favorite TV-show, Pleasantville, and become Bud and Mary Sue Parker. At first everything is, also literally, very black and white in their new world. Life is very predictable, every citizen has a clearly defined role, even the roads are like the daily routine: they go in a circle. There’s nothing outside the enclosed 1950’s world order of small town Pleasantville.

Pleasantville 17Pleasantville 16

Bit by bit, however, things start to change with the arrival of David/Bud and Jennifer/Mary Sue. Some people divert from their normal activities and turn from black, grey and white into technicolor. Bill Johnson, for instance, Bud’s boss at the soda shop where he is working, discovers his creativity and artistic freedom as a painter. Other citizens become avid readers, studying books and using their minds to gain wisdom and imagine things “outside of Pleasantville”. In the end, the road doesn’t go in a circle anymore but “keeps going”. This means that life is no longer predictable, the future is open-ended, and individuals get more chances, as well as responsibilities, to work out their own project in life. In other words, the people in Pleasantville abandon the cyclical worldview that was aimed at preserving an order installed by “higher powers”. In yet other words, they move from the ancient mythical view of time as circular to a Jewish and Christian “linear” view of time: instead of leading a life according to the so-called scenario of “the powers that be”, people are liberated to write their own history.

Cyclical vs Linear

Thomas Cahill wrote a very interesting book on this shift, The Gifts of the Jews – How a Tribe of Desert Nomads Changed the Way Everyone Thinks and Feels. From the cover: “The Gifts of the Jews reveals the critical change that made western civilization possible. Within the matrix of ancient religions and philosophies, life was seen as part of an endless cycle of birth and death; time was like a wheel, spinning ceaselessly. Yet somehow, the ancient Jews began to see time differently. For them, time had a beginning and an end; it was a narrative, whose triumphant conclusion would come in the future. From this insight came a new conception of men and women as individuals with unique destinies—a conception that would inform the Declaration of Independence—and our hopeful belief in progress and the sense that tomorrow can be better than today.”

On the other hand, a sense of stability and certainty seems forever lost with the arrival of the linear view of history. No wonder, then, that the anxious community in Pleasantville at first tries to suppress the newly found creativity and individual liberties: books are burned, rock ‘n’ roll music is forbidden, painters are not allowed to use colors besides black, white and grey, “(techni)colored” people are separated from the others and sexuality, in particular female sexuality, is considered inappropriate.

Pleasantville 14

Pleasantville 11

Pleasantville 13

Pleasantville 12

Indeed, the women especially begin to question the status quo of the patriarchal society in Pleasantville. Following the example of Mary Sue (a powerful “mimetic model”), girls invite their boyfriends into the garden of Lover’s Lane to explore their sexuality. Bud also imitates his sister, as he takes Margaret on a date to Lover’s Lane…

Pleasantville 9

There, Bud is offered an apple by his girlfriend. Afterwards he is reproached for eating it by the deus ex machina of the movie, a mysterious TV repairman, who yells at him that he doesn’t deserve “to live in this paradise”. This all too obvious reference to the Biblical story of the Garden of Eden in the book of Genesis raises questions about whether or not Judeo-Christian tradition supports oppressive patriarchal social structures. The story of the Fall from Eden eventually blames the woman, Eve, for being the first to succumb to an inappropriate desire, causing her man Adam to sin and resulting in them both being banned from the Garden. The obvious message of the story concerning women seems clear: like her Greek counterpart Pandora, Eve and her female boldness means trouble (for more on this, click here). So far for the Jewish critique of archetypal mythic structures, so it seems…

Pleasantville 4

Pleasantville 5

René Girard helps us understand why women are depicted as troublemakers and how they, more specifically (sexually) emancipated women, become scapegoats, unjustly held responsible for all kinds of evil in the world. The sexist reasoning often goes something like this. Emancipated women are no longer dependent on their husbands. This means that they can more easily divorce them. Divorces potentially trouble the mind of children and youngsters, who might lose the security of a “home”. Hence juvenile delinquency could increase as young people get together in gangs to create a sense of self-worth and identity. Thus the stability of society as a whole is threatened by women who refuse to remain faithful to the man they’re married off to. Moreover, sexually independent women can stir rivalry and violence between men, which once again destabilizes the internal cohesion of a community. Indeed, sex (eros) might lead to death (thanatos).

To avoid these potential troubles patriarchal societies have the tendency to suppress the freedom of women. This means women have to pay for the potential rivalry between men and the potential lack of responsibility of other members of the society. Instead of taking responsibility for their rivalrous and even violent desires and instead of taking control of them, patriarchal men blame women for their own behavior. And instead of taking more responsibility as a parent, patriarchal men also blame women if their offspring ends up on the wrong track… Peace and order in society, according to the patriarchal system, can only be obtained by keeping women in check. In other words, women and their freedom are violently sacrificed in order to establish “peace and quiet”.

As said, the Genesis story of the Garden and the Fall (the third chapter of the book) seems to support this view and seems to legitimize the sacrificial structure of the patriarchal society. More specifically, the story seems to consider (female) sexuality taboo. Eve invites Adam “to eat from the fruits” of the “Tree of Knowledge” in a “Garden Paradise”. In ancient Middle Eastern Cultures gardens are symbolical of sexuality and female sexuality in particular. The Song of Songs for instance, one of the smallest books of the Bible, gives voice to a young woman in a dialogue with her beloved man. At some point she invites her lover to “come into her garden and taste its choice fruits”. Talk of sending a clear message… Moreover, “knowing” often has a sexual meaning or erotic tone in Hebrew. “To know someone” has to do with “intimate wisdom”, with “gaining insight” by “penetrating into” something. So eating from the “Tree of Knowledge” and discovering, afterwards, that you are “naked” adds to the interpretation of the story as containing a taboo on sexuality and the female lust for “knowledge”. No wonder then, again, that the citizens of Pleasantville fear women who “go to the library”, “think” and take the initiative to go to Lover’s Lane… Women shouldn’t become too smart, as “shrewd” women are hard to control, and the third chapter of Genesis seems yet one other sexist story that gets this message across.

Song of Solomon (Raoul Martinez)

A strange thing happens, however, when Genesis chapter three is compared to the already mentioned Song of Songs. At a certain moment, the young woman of the Song complains about the patriarchal society and its taboos. She went looking for her lover but the “watchmen of the city” violently punished her for having an intimate relationship with a man outside her family or outside the ritualized context of marriage. Thereon she eventually sighs (Song of Songs 8:1): If only you were to me like a brother, who was nursed at my mother’s breasts! Then, if I found you outside, I would kiss you, and no one would despise me.” So the Song of Songs lets the victim of patriarchal violence speak out and act against the regular patriarchal order. A comparison between Eve in Genesis and the young woman in the Song of Songs might shed new light on how to interpret the emancipation of women in the story of Pleasantville from a Biblical point of view. Here it is (CLICK THE PAGES TO ENLARGE OR CLICK HERE FOR PDF):

Pleasantville Garden of Eden and Garden of Female Sexuality

Pleasantville Watchmen

The question from this comparison is whether the God of the Genesis story is on the side of the watchmen who are supporting the patriarchal society and who harass (sexually) emancipated women. At first glance, it seems that this is the case. However, the Song of Songs does allow the victim of patriarchal violence to speak out against this kind of discrimination.

In order to get a fuller understanding of what is actually condemned by the Genesis story, the broader context of the book of Genesis is needed. Read in the broader context of Genesis and the story that immediately follows (Cain and Abel), Eve is not condemned because she is a woman, but because she cannot respect the difference between herself and someone else (“the Lord God”) – just like Cain cannot respect the difference between himself and someone else (“Abel”). Both stories condemn an anxious type of envy and even resentment! In the case of the confrontation between the young woman and her harassers in the Song of Songs, it is clear that the harassers are led by envy, resentment and fear. From the particular Biblical point of view, developed from the broader context in Genesis, they’re the ones whose acts are to be condemned. They fear the emancipation of women because this might mean that women no longer automatically obey the men they’re married off to – which is very frightening for patriarchal men’s status and sense of self-worth. Most probably their wives too resent the emancipated woman, as they secretly envy the life she leads but dare not abandon their own situation for fear of being punished.

The Gospels show how Jesus of Nazareth also takes sides with the woman as a potential victim of patriarchal violence. More specifically in John 8:1-11, when he is confronted with a woman caught in adultery. It might be good to take a fresh look at this well-known text:

Jesus went to the Mount of Olives. But early in the morning he arrived again in the temple area, and all the people started coming to him, and he sat down and taught them. Then the scribes and the Pharisees brought a woman who had been caught in adultery and made her stand in the middle. They said to him, “Teacher, this woman was caught in the very act of committing adultery. Now in the law, Moses commanded us to stone such women. So what do you say?” They said this to test him, so that they could have some charge to bring against him. Jesus bent down and began to write on the ground with his finger. But when they continued asking him, he straightened up and said to them, “Let the one among you who is without sin be the first to throw a stone at her.” Again he bent down and wrote on the ground. And in response, they went away one by one, beginning with the elders. So he was left alone with the woman before him. Then Jesus straightened up and said to her, “Woman, where are they? Has no one condemned you?” She replied, “No one, sir.” Then Jesus said, “Neither do I condemn you. Go, and from now on do not sin any more.”

A Depiction of Jesus and the Woman taken in Adultery (Vasily Polenov)

Jesus prevents the establishment of an order based on sacrifice by making people reflect on their own desires and trespasses, as they might be similar to those of the adulterous woman. Jesus believes God desires “mercy, not sacrifice” (Matthew 9:13).

It is telling that Jesus approaches the woman, who already committed adultery, mildly while he firmly condemns men who merely think of adultery (Matthew 5:27-30):

You have heard that it was said, ‘You shall not commit adultery.’ But I tell you that anyone who looks at a woman lustfully has already committed adultery with her in his heart. If your right eye causes you to stumble, gouge it out and throw it away. It is better for you to lose one part of your body than for your whole body to be thrown into hell. And if your right hand causes you to stumble, cut it off and throw it away. It is better for you to lose one part of your body than for your whole body to go into hell.”

It’s his hyperbolic verbal way of compensating for the double standard in patriarchal societies, where adulterous men are often all too easily justified as “victims” of “evil, seductive women” (who are all too easily condemned by the patriarchal system). Apart from this, there are other “feminist” traits in the behavior of Jesus. The situation between Jesus, the crowd and the adulterous woman as it is told in the Gospel of John contains a subtle clue for a subversive, anti-patriarchal reading of the third chapter in Genesis (John 8:3): The scribes and the Pharisees brought a woman who had been caught in adultery and made her stand in the middle.” Indeed, the woman is said to stand “in the middle”. Compare this to Genesis 3:3, as Eve responds to the snake: God told us, ‘You must not eat fruit from the tree that is in the middle of the garden. You must not even touch it, or you will die.‘” In other words, Jesus wants to prevent the crowd from “touching” what “stands in the middle” just like the God figure in the Genesis story wants to prevent Adam and Eve from eating from the tree “in the middle of the garden”. In both situations, the acts of “touching what’s in the middle” imply that people are led by envy, resentment and lust for prestige, that they are unable to respect “the other”, and that they want to erase the differences between themselves and the other (by killing themselves or the other – for more on this: click here).

In consonance with Genesis, Jesus calls out for love of one’s neighbor and a refusal of the sacrifice of the other to establish a “peace”. That’s why he says (Matthew 10:34-36):Do not suppose that I have come to bring peace to the earth. I did not come to bring peace, but a sword. For I have come to turn a man against his father, a daughter against her mother, a daughter-in-law against her mother-in-law— a man’s enemies will be the members of his own household.” The “sword” Jesus talks about is not the sword of “violence” (indeed, in Matthew 26:52 Jesus, upon being arrested, clearly warns against violence, when he demands one of his companions who tries to defend him: Put your sword back in its place, for all who draw the sword will die by the sword.”). It is reminiscent of the sword at the end of the Genesis story about the Fall: The Lord God placed on the east side of the Garden of Eden cherubim and the flaming sword flashing back and forth to guard the way to the tree of life. This sword is a symbol of a Love that creates and preserves differences between people – differences of “color” and personality that is, not of “hierarchy”.

not peace but a swordPeace I leave with you

Jesus time and again questions a peace, order and unity based on the expulsion of a common enemy (a “scapegoat”) and on dictatorial, oppressive leadership (often of a “patriarch”). He tells people, “Love your enemies” (Matthew 5:44), which causes conflicts within the groups people belong to but once again prevents people from establishing a community at the expense of certain “enemy victims”. That’s why he can say that his kingdom – his way of organizing society – is, most of the time, “not of this world” (John 18:36). And that’s why he can also say: Peace I leave with you; my peace I give you. I do not give to you as the world gives. Do not let your hearts be troubled and do not be afraid.”

In short, Jesus as a Jew, in consonance with the Scriptures of the Jewish people, wants to establish a peace that allows for non-violent conflicts between people (as people dare to show their “true colors” and thus might clash with each other), while he refuses to establish a violent “easy” peace based on sacrifice (the “Pax Romana”).

In Pleasantville, Bud prevents the community of condemning his mother Betty. She committed adultery, leaving her husband George for Bill Johnson, the owner of the soda shop. Bill painted a portrait of a naked Betty on the front window of his shop, after which an agitated and scandalized crowd “stoned” it. Like Jesus confronted with a crowd and a woman caught in adultery, Bud prevents further violence. He enables people to discover that they’re not so different from Betty and other “coloreds” – which, paradoxically, allows them to respect Betty’s and the others’ own “color” and choices in life.

Pleasantville 10

Of course, life doesn’t become much easier if we’re trying to respect one another, protesting against “easy sacrifices” of vulnerable victims. Society does become more complex, the future more open and uncertain, but also more interesting, fertile and creative. It certainly is a challenge to follow in the footsteps of Jesus, to allow for relationships that are based on a Love born from freedom, and not based on a fear for punishment or a desire to be rewarded and compensated. But hey, it’s better to have an emancipated woman love her man than to have a bitter, scared “slave” stick to her husband, isn’t it? In the words of 1 John 4:18:

“There is no fear in love. But perfect love drives out fear, because fear has to do with punishment. The one who fears is not made perfect in love.”

no fear in love

‘Guess we all still have some growing to do, but on a personal note: deep down inside, I do prefer the peace of Christ’s “critical” and flexible Love to the peace of the sacrificial powers in our world. A lot of growing to do, though, but happy to…

To conclude, Bruce Springsteen on the “secret garden she hides…” – CLICK HERE…

More from my book Vrouwen, Jezus en rock-‘n-roll – Met René Girard naar een dialoog tussen het christelijk verhaal en de populaire cultuur (Women, Jesus and rock-‘n-roll. Taking René Girard to a dialogue between the Christian story and popular culture):

  1. Mimetic Theory in High School (click to read)
  2. Types of the Scapegoat Mechanism (click to read)
  3. Scapegoating in American Beauty (click to read)
  4. Philosophy in American Beauty (click to read)
  5. Real Life Cases of Ressentiment (click to read)
  6. Eminem Reads the Bible (click to read)
  7. The Grace of Prostitutes (click to read)

See also: Achever… the Social Sciences (click to read)

A Midsummer Night’s Mimetic Desire

•February 24, 2015 • Leave a Comment

René Girard devotes six chapters to A Midsummer Night’s Dream in A Theater of Envy, his book on William Shakespeare (for references I use the edition of St. Augustine’s Press, South Bend, Indiana, 2004 – originally this title was edited by Oxford University Press, 1991). I’ve tried to rework some of Girard’s insights by using the diagrams I’ve developed (for more information, click here for “Types of the Scapegoat Mechanism”). But first things first: a plot summary.

1. PLOT OF A MIDSUMMER NIGHT’S DREAM

A Midsummer Night's Dream by MukilteoCasualtie

A Midsummer Night’s Dream, one of Shakespeare’s most beloved comedies, portrays some strange events surrounding the wedding of Theseus, Duke of Athens, and Hippolyta, queen of the Amazons. The play consists of three plots, interconnected by the noble marriage.

First there is the story of four young Athenian lovers who are invited to the celebration. Fair Hermia is in love with Lysander and refuses to submit to her father Egeus’ demand that she wed Demetrius. Meanwhile, her childhood friend Helena desperately falls for Demetrius. Hermia and Lysander escape to an enchanted forest outside Athens. Informed by the still desperate Helena, Demetrius follows them in hopes of killing Lysander. Helena chases Demetrius, promising to love him more than Hermia, but he rejects her offer with cruel insults.

Oberon, king of the fairies and at that time in an envious quarrel over a changeling with his wife and queen Titania, observes the cruelty of Demetrius. This second plot about the fairies intervenes with the first one when Oberon asks his servant, Robin “Puck” Goodfellow, to apply a magical juice to the eyelids of the sleeping Demetrius. The juice is derived from a flower called “love-in-idleness” and causes awakening persons to fall in love with the first creature they see. Oberon hopes to let Demetrius fall in love with Helena. However, Puck mistakes Lysander for Demetrius and Lysander falls in love with Helena. Oberon is able to correct Puck’s mistake and uses the magic to let Demetrius fall in love with Helena as well. Rivaling Lysander and Demetrius then end up seeking a place to duel each other, leaving Hermia enraged and desperate as she accuses Helena of stealing Lysander away from her. Puck, following Oberon’s orders, prevents the duel from happening and removes the charm from Lysander. Lysander returns to loving Hermia, while Demetrius now loves Helena.

The four young lovers return to Athens to witness the celebration of Theseus’ wedding. A group of six amateur actors performs “Pyramus and Thisbe”. These six craftsmen (among them a guy named Bottom who is eager to play nearly every role) prepared themselves in the enchanted forest and went through some upheaval as well. Like the tale of the four lovers, this third plot again is connected to the world of the fairies by Puck’s magical love potion. Oberon lets his wife fall in love with Bottom so he can blackmail her and claim her changeling. He succeeds and after removing the spell from his wife he goes to Athens with her to bless the house of Theseus. All’s well that ends well, so it seems…

2. MIMETIC INTERPLAYS IN THE TALE OF THE FOUR LOVERS

O hell to choose love by another's eyes (Shakespeare quote A Midsummer Night's Dream)I will focus on the subplot of the four young Athenian lovers. René Girard, in the aforementioned book A Theater of Envy, interprets the love shenanigans during the fairy night as consequences of the mimetic nature of the young lovers’ desires. Surprise, surprise. Each individual competes with another one for the recognition or love of a third party. Girard argues that this kind of competition is eventually based on mimetic (i.e. imitative) interplays, and he demonstrates how Shakespeare, throughout his works, developed fundamental insights in this essential human interaction. The lovers in A Midsummer Night’s Dream don’t compete with each other because they accidentally desire the same person, but they desire the same person because they imitate one another. They are led by mimetic desire. Ever more rapidly during the play they all take another person as model or mediator for their desire. This results in self-loathing (a form of auto-aggression) and divinization of their model on the one hand, or in self-aggrandizement and loathing (a form of hetero-aggression) of their model on the other. In the words of Hermia, which summarize the guiding mimetic principles of the play (in Act I, Scene 1):

O hell! to choose love by another’s eyes.

Of course, no one is eager to admit that his or her desire is not his or her own. Although the play at first glance lends itself to a romantic interpretation of the ties between the four lovers, Shakespeare comically undermines the belief in “true love” and “true love’s desire” (understood as “unmediated desire”). In the words of René Girard (A Theater of Envy, p.34-35 & p.36-37):

The history of the night continues its prehistory with different characters in the various mimetic roles. Before the midsummer night began, in other words, it had already begun. First Demetrius was unfaithful to Helena, then Hermia was unfaithful to Demetrius, then Lysander to Hermia, and finally Demetrius to Hermia. The four infidelities are arranged in such a way that the minimum number of incidents illustrates the maximum amount of mimetic theory.

It is important to observe that the love juice cannot be invoked as an excuse for the infidelities that occur before the midsummer night. Everything can and must be explained mimetically, that is, rationally. If we had only the infidelities that occur before our eyes, the examples would be too few to lead us unquestionably to the mimetic law, but the addition of the prehistory and the history is sufficient to the purpose. So instead of a single triangular conflict that remains unchanged until the conclusion, A Midsummer Night’s Dream suggests a kaleidoscope, a number of combinations that generate one another at an accelerating pace. Shakespeare gives several objects in succession to the same mimetic rivals for a comic demonstration of the mediator’s predominance in the triangle of mimetic desire.

[…]

A Theater of Envy (1991)Shakespeare satirizes a society of would-be individualists completely enslaved to one another. He is mocking a desire that always seeks to differentiate and distinguish itself through the imitation of someone else but always achieves the opposite result: A Midsummer Night’s Dream is an early triumph of unisex and uni-everything else. It involves a process of increasing symmetry among all characters, yet not so obviously perfect a one that the demonstration becomes heavy-handed.

Unlike the skeptical Puck, who mocks the lovers because he understands everything, Oberon is full of reverence for “true love,” but his language plays occasional tricks upon him and suggests the very reverse of what he intends to say. After Puck has picked the wrong man for his dispensations of love juice, Oberon sounds indignant, as if the difference between “true” and “false” love were so huge that Puck’s mistaking the two were unforgivable. His actual words suggest the very reverse [from Act III, Scene 2]:

What hast thou done? thou hast mistaken quite
And laid the love-juice on some true-love’s sight:
Of thy misprision must perforce ensue
Some true love turn’d and not a false turn’d true.

Who will tell the difference between some “true love turned” and “a false turned true”? It all sounds the same, and the distinction upon which the pious Oberon insists is humorously undermined. The supposed discrepancy between “true love” and its mimetic counterfeit echoes the inferiority of the copy versus the original in traditional aesthetics. The problem is that no original is available: everything is imitation.

The cacophonic circularity of “true love turned” and “false turned true” ironically suggests the paradoxical contribution of differential and individualistic ideologies to the growing mimetic uniformity; differentialism is the ideology of the mimetic urge at its most comically self-defeating. All this amazingly resembles our own contemporary world.

THE AUTO-AGGRESSION OF HELENA

The first mimetic triangle we encounter in the play structures itself from Helena’s perspective. Helena compares herself to Hermia and this reinforces her desire to obtain (the recognition of) Demetrius – the object of her desire [the left side of the diagram]. All this eventually results in Helena’s self-loathing (a form of auto-aggression) and the divinization of her “model”, Hermia – Helena wants to erase (the confrontation with) the difference between herself and Hermia, she wants to be Hermia [the right side of the diagram]. The desire for Hermia’s being – the mediator – turns out to be more important than the desire for Demetrius.

 

MND Autoaggression of Helena

Again, in the words of Girard himself (ibid., p.43-44):

Being is what mimetic desire is really after, and Helena says so explicitly.

Helena wants to be “translated” to Hermia.

[…]

Helena is desperately in love with Demetrius, but he is hardly mentioned; gigantic in the absence of Hermia, his stature shrinks to almost nothing in her presence. Thus the real priorities of mimetic desire are revealed: however desirable the object may be, it pales in comparison with the model who gives it its value.

Hermia and Helena (Washington Allston 1818)A remarkable aspect of our text is its sensuousness. Helena wants to catch Hermia’s “favour” as she would a disease, contagiously, through physical contact. She wants every part of her body to match Hermia’s corresponding part. She wants the whole body of Hermia. The homosexual connotations of this text are not “unconscious” but deliberate, and it is difficult to see what kind of help psychoanalysis could provide. Shakespeare portrays the tendency of unsuccessful desire to focus more and more on the cause of its failure and to turn the mediator into a second erotic object – necessarily homosexual, if the original desire is heterosexual; the erotic rival is an individual of the same sex as the subject. The homosexual connotations are inseparable from the growing emphasis on the mediator.

Helena will show a little later that she has not forgotten Demetrius; her behavior with him is more “masochistically” erotic during the night than that of any other character.

[…]

What Helena is going through is part of her “midsummer night.” Many adolescents experience an intense fascination for successful school friends, and it may or it may not affect them permanently.

Girard explores the love/hate – dynamics generated by the mimetic interactions between the four lovers more extensively further on (ibid., p.50-51):

We must examine a striking feature in the amorous language of A Midsummer Night’s Dream: the proliferation of animal images. In order to express her self-abasement, Helena compares herself to various beasts. In opposition to these metaphors of lowliness, images of sublimity and divinity express the transcendence of the inaccessible object, Demetrius, and of the triumphant mediator, Hermia.

[…]

In all intensely mimetic relations, the subject tries to combat the self-contempt that necessarily accompanies the overvaluation of the mediator. Helena reveres her mediator but also hates her as a rival, and vainly tries to regain the upper hand in a relationship that has become completely unbalanced. The more divine Hermia and Demetrius seem to Helena, the more beastly she herself feels. The animal images are a privileged means of expressing the self-abasement that mimetic desire generates. Instead of rising to the near-divinity that they perceive in their models, the subjects of desire sink to the level of animality.

It’s time to put Girard’s analysis to the test and to take a look at how The Bard himself portrays Helena’s self-loathing in relation to Hermia and Demetrius.

From Act I, Scene I

HERMIA
God speed fair Helena! whither away?

HELENA
Call you me fair? that fair again unsay.
Demetrius loves your fair: O happy fair!
Your eyes are lode-stars; and your tongue’s sweet air
More tuneable than lark to shepherd’s ear,
When wheat is green, when hawthorn buds appear.
Sickness is catching: O, were favour so,
Yours would I catch, fair Hermia, ere I go;
My ear should catch your voice, my eye your eye,
My tongue should catch your tongue’s sweet melody.
Were the world mine, Demetrius being bated,
The rest I’d give to be to you translated.
O, teach me how you look, and with what art
You sway the motion of Demetrius’ heart.

HERMIA
I frown upon him, yet he loves me still.

HELENA
O that your frowns would teach my smiles such skill!

HERMIA
I give him curses, yet he gives me love.

HELENA
O that my prayers could such affection move!

HERMIA
The more I hate, the more he follows me.

HELENA
The more I love, the more he hateth me.

HERMIA
His folly, Helena, is no fault of mine.

HELENA
None, but your beauty: would that fault were mine!

Hermia and Lysander (John Simmons 1870)HERMIA
Take comfort: he no more shall see my face;
Lysander and myself will fly this place.
Before the time I did Lysander see,
Seem’d Athens as a paradise to me:
O, then, what graces in my love do dwell,
That he hath turn’d a heaven unto a hell!

From Act II, Scene I

DEMETRIUS
I love thee not, therefore pursue me not.
Where is Lysander and fair Hermia?
The one I’ll slay, the other slayeth me.
Thou told’st me they were stolen unto this wood;
And here am I, and wode within this wood,
Because I cannot meet my Hermia.
Hence, get thee gone, and follow me no more.

HELENA
You draw me, you hard-hearted adamant;
But yet you draw not iron, for my heart
Is true as steel: leave you your power to draw,
And I shall have no power to follow you.

DEMETRIUS
Do I entice you? do I speak you fair?
Or, rather, do I not in plainest truth
Tell you, I do not, nor I cannot love you?

HELENA
And even for that do I love you the more.
I am your spaniel; and, Demetrius,
The more you beat me, I will fawn on you:
Use me but as your spaniel, spurn me, strike me,
Neglect me, lose me; only give me leave,
Unworthy as I am, to follow you.
What worser place can I beg in your love,–
And yet a place of high respect with me,–
Than to be used as you use your dog?

One of the strongest arguments for the kind of interpretation of the play we’ve been exploring, i.e. in terms of mimetic interactions, is Girard’s reference to what happened before the play begins. The prehistory of the midsummer night is summarized in the very first scene of the play. Girard (ibid., p.33-34):

In the beginning Helena was in love with Demetrius and Demetrius with her. This happy state of affairs did not last. The gentle Helena explains in a soliloquy that her love affair was destroyed by Hermia:

For ere Demetrius look’d on Hermia’s eyne,
He hail’d down oaths that he was only mine;
And when this hail some heat from Hermia felt,
So he dissolved, and showers of oaths did melt.

Why should Hermia attempt to seduce Demetrius away from her best friend? Since Hermia now wants to marry the other boy, Lysander, she could not be motivated by genuine “true love.” What else could it be? Do we have to ask? The mimetic nature of the enterprise is suggested by the close similarity […] with The Two Gentlemen of Verona. Hermia and Helena are the same type of friends as Valentine and Proteus: they have lived together since infancy; they have been educated together; they always act, think, feel, and desire alike.

In our prehistory we have a first mimetic triangle. […]

Demetrius is still very much in love with Hermia because she is the one who jilted him, just as Demetrius himself had jilted Helena a little before. The enterprising Hermia first stole the lover of her best friend and then lost interest in him, thus making two people hysterically unhappy instead of one. If Hermia lived in our time, she would probably claim that a bright, modern, independent young woman like herself needs “more challenging friends” than Demetrius and Helena. Demetrius and Helena seem insufficiently challenging to Hermia because she found it too easy to dominate them. First, she roundly defeated Helena in the battle for Demetrius, which destroyed the prestige of this friend as a mediator. Being no longer transfigured by the power of mimetic rivalry, Demetrius too lost his prestige and did not seem desirable any longer. Whenever an imitator successfully appropriates the object designated by his or her model, the transfiguration machine ceases to function. With no threatening rival in sight, Hermia found Demetrius uninspiring and turned to the more exotic Lysander.

This explanation is also valid for Demetrius, our first example of infidelity. He yielded to Hermia’s blandishments because Helena was too gentle and loving; she did not make things difficult enough for her lover. When mimetic desire is thwarted, it intensifies and, when it succeeds, it withers away. A Midsummer Night’s Dream is the play in which these two aspects are discreetly but systematically exploited. The two together make up the dynamics of the midsummer night.

THE HETERO- (AND AUTO-) AGGRESSION OF HERMIA

Indeed, from the observations about the prehistory of the midsummer night it is plausible to consider the alternative love triangle at the climax of the midsummer night as a consequence of (Shakespeare’s insight into) mimetic logic. Puck’s love potion hardly conceals Shakespeare’s deconstruction of the “true love” illusion. The reality of mimetic desire brings any stable “forever and ever” romanticism to an end. Once again, René Girard (ibid., p.51):

god dogAs the end approaches, the metaphysical absolute shifts from character to character and the mimetic relation loses all stability. When the two boys abandon Hermia and turn to Helena, the entire configuration is reorganized on the basis of the same polarities but with a new distribution of roles. A formerly despised member of the group has become its idol, and a former idol has lost all prestige; in the language of our metaphoric polarity, it really means that a beast has turned into a god and, reciprocally, a god has turned into a beast. Up is down and down is up. When Lysander and Demetrius fall in love with Helena, it is Hermia’s turn to feel like a dog.

The diagram from the perspective of Hermia thus looks like this:

 

MND Heteroaggression of Hermia

Helena cannot believe that the two boys now rival each other to obtain her (all the while, of course, mimetically reinforcing each other’s desire). Of course Hermia is not happy with this turn of events. At the same time as she “masochistically” loathes her own “dwarfish stature”, she loathes Helena. Hermia, comparing herself with Helena, is even prepared to fight her friend. The Bard:

From Act III, Scene II

HELENA
O spite! O hell! I see you all are bent
To set against me for your merriment:
If you were civil and knew courtesy,
You would not do me thus much injury.
Can you not hate me, as I know you do,
But you must join in souls to mock me too?
If you were men, as men you are in show,
You would not use a gentle lady so;
To vow, and swear, and superpraise my parts,
When I am sure you hate me with your hearts.
You both are rivals, and love Hermia;
And now both rivals, to mock Helena:
A trim exploit, a manly enterprise,
To conjure tears up in a poor maid’s eyes
With your derision! none of noble sort
Would so offend a virgin, and extort
A poor soul’s patience, all to make you sport.

[…]

HERMIA
What, can you do me greater harm than hate?
Hate me! wherefore? O me! what news, my love!
Am not I Hermia? are not you Lysander?
I am as fair now as I was erewhile.
Since night you loved me; yet since night you left me:
Why, then you left me–O, the gods forbid!–
In earnest, shall I say?

LYSANDER
Ay, by my life;
And never did desire to see thee more.
Therefore be out of hope, of question, of doubt;
Be certain, nothing truer; ’tis no jest
That I do hate thee and love Helena.

HERMIA
O me! you juggler! you canker-blossom!
You thief of love! what, have you come by night
And stolen my love’s heart from him?

HELENA
Fine, i’faith!
Have you no modesty, no maiden shame,
No touch of bashfulness? What, will you tear
Impatient answers from my gentle tongue?
Fie, fie! you counterfeit, you puppet, you!

HERMIA
Puppet? why so? ay, that way goes the game.
Now I perceive that she hath made compare
Between our statures; she hath urged her height;
And with her personage, her tall personage,
Her height, forsooth, she hath prevail’d with him.
And are you grown so high in his esteem;
Because I am so dwarfish and so low?
How low am I, thou painted maypole? speak;
How low am I? I am not yet so low
But that my nails can reach unto thine eyes.

THE HETERO-AGGRESSION OF DEMETRIUS

Finally, the mimetic logic is also at work in the behavior of the two boys. René Girard (ibid., p.32-33):

The first thing to observe is that, even though the two boys are never in love with any girl for very long, both of them at any given time are always in love with the same girl. We can also observe great similarities in their two discourses, which remain unchanged when both of them shift from one girl to the other, except, of course, for the minor adjustments required by the fact that Helena is a tall blonde, whereas Hermia is short and dark-haired.

[…]

[Demetrius] imitates Lysander because Lysander took Hermia away from him, and like all defeated rivals, he is horribly mediated by his victorious opponent. His desire for Hermia remains intense as long as Lysander provides it with a model; as soon as Lysander shifts to Helena, Demetrius also shifts. This perfect parrot is a more comic version of Proteus [from The Two Gentlemen of Verona]. Imitation is so compulsive with him that, were there a third girl in the group, he would certainly fall in love with her, but not before Lysander did.

In short, Demetrius compares himself to Lysander, and this reinforces his desire for Hermia [the left side of the diagram]. All this results in Demetrius’ desire to erase (the confrontation with the difference between him and) Lysander [the right side of the diagram]. Hence the full diagram:

MND Heteroaggression of Demetrius

In the words of The Bard:

From Act II, Scene I

DEMETRIUS
I love thee not, therefore pursue me not.
Where is Lysander and fair Hermia?
The one I’ll slay, the other slayeth me.
Thou told’st me they were stolen unto this wood;
And here am I, and wode within this wood,
Because I cannot meet my Hermia.
Hence, get thee gone, and follow me no more.

HELENA
You draw me, you hard-hearted adamant;
But yet you draw not iron, for my heart
Is true as steel: leave you your power to draw,
And I shall have no power to follow you.

THE HETERO-AGGRESSION OF LYSANDER

Lysander at first seems more independent than Demetrius, but we should not be fooled. René Girard (ibid., p.33-34):

What about Lysander himself? When he shifts to Helena, he has no possible model, since no one is in love with the poor girl. Does that mean that his desire is truly spontaneous?

[…]

the chase is better than the catchIn The Two Gentlemen of Verona, Shakespeare emphasized the strength and stability of unfulfilled desire. In A Midsummer Night’s Dream this emphasis remains, but it is supplemented by an equal emphasis on the instability of fulfilled desire. We can now understand why Lysander abandons Hermia, for all desertions are rooted in the disenchantment of peaceful possession. Lysander has triumphed over his mimetic rival Demetrius. Hermia truly belongs to him, so he lacks the indispensable stimulus of mimetic rivalry. Helena must seem attractive at this point because she has given no indication of being interested in Lysander; besides, there is no one else to turn to.

In other words, Lysander compares himself to Demetrius and reinforces his desire for (the recognition of) Helena, to the point where he wants to get rid of Demetrius. Hence the diagram:

MND Heteroaggression of Lysander

From Act II, Scene II

HELENA
O, I am out of breath in this fond chase!
The more my prayer, the lesser is my grace.
Happy is Hermia, wheresoe’er she lies;
For she hath blessed and attractive eyes.
How came her eyes so bright? Not with salt tears:
If so, my eyes are oftener wash’d than hers.
No, no, I am as ugly as a bear;
For beasts that meet me run away for fear:
Therefore no marvel though Demetrius
Do, as a monster fly my presence thus.
What wicked and dissembling glass of mine
Made me compare with Hermia’s sphery eyne?
But who is here? Lysander! on the ground!
Dead? or asleep? I see no blood, no wound.
Lysander if you live, good sir, awake.

LYSANDER
[Awaking] And run through fire I will for thy sweet sake.
Transparent Helena! Nature shows art,
That through thy bosom makes me see thy heart.
Where is Demetrius? O, how fit a word
Is that vile name to perish on my sword!

HELENA
Do not say so, Lysander; say not so
What though he love your Hermia? Lord, what though?
Yet Hermia still loves you: then be content.

LYSANDER
Content with Hermia! No; I do repent
The tedious minutes I with her have spent.
Not Hermia but Helena I love:
Who will not change a raven for a dove?
The will of man is by his reason sway’d;
And reason says you are the worthier maid.
Things growing are not ripe until their season
So I, being young, till now ripe not to reason;
And touching now the point of human skill,
Reason becomes the marshal to my will
And leads me to your eyes, where I o’erlook
Love’s stories written in love’s richest book.

3. MIMESIS AND EROS

Without further ado, René Girard’s main conclusion on A Midsummer Night’s Dream (ibid., p.64):

The symmetry of the two human subplots suggests that aesthetic imitation and the mimetic Eros are two modalities of the same principle. Bottom’s desire for mimesis spreads as contagiously among the craftsmen as erotic desire among the lovers and has the same disruptive effects upon the two groups; it produces the same mythology [the midsummer night’s dream].

In his theatrical subplot, Shakespeare reinjects the ingredient that the aestheticians always leave out – competitive desire. In the lovers’ subplot he reinjects the ingredient that the students of desire never take into account – imitation. This double restitution turns the two subplots into faithful mirrors of each other, the two complementary halves of a single challenge against the Western philosophical and anthropological tradition.

[…]

The enormous force of Shakespeare comes from his ability to rid himself of two bad abstractions simultaneously: solipsistic desire and the bland, disembodied imitation of the aestheticians. The love of mimesis that sustains the aesthetic enterprise is one and the same with mimetic desire. This is the real message of A Midsummer Night’s Dream.

The Western philosophical and scientific tradition is based on the opposite principle. Mimesis and Eros are seen as separate. The myth of their mutual independence goes back to Plato, who never associates the two concepts, even though his frantic fear of mimetic contagion and his distrust of art, more particularly of the theater, points to the unity that his formal system repudiates.

[…]

Shakespeare’s spectacular marriage of mimesis and desire is the unity of the three subplots and the unity of A Midsummer Night’s Dream.

__________________________________________________________________________________

Lord What Fools these Mortals be

The play ends with Puck addressing the audience. It seems he tries to reassure us that “true love” can only be disturbed by a magical dream. As if a certain configuration of relationships is true and “real” and an alternative one can only be false and “dreamlike appearance”. We don’t like to admit that our desires are subject to mimetic antics. We would like to escape the realization that our desires are guided by emotions like envy and jealousy, or pride. And yet, Puck ironically reveals that there indeed is a “serpent’s tongue” (i.e. the principle of mimetic comparing, as the serpent refers to the creature that seduces Adam and Eve to compare themselves to God in the Genesis story of the Garden of Eden). Thus Puck is the liar (“merely a character in a play”) who tells the truth. And so he gets the last laugh…

From Act V, Scene I

PuckPUCK
If we shadows have offended,
Think but this, and all is mended,
That you have but slumber’d here
While these visions did appear.
And this weak and idle theme,
No more yielding but a dream,
Gentles, do not reprehend:
if you pardon, we will mend:
And, as I am an honest Puck,
If we have unearned luck
Now to ‘scape the serpent’s tongue,
We will make amends ere long;
Else the Puck a liar call;
So, good night unto you all.
Give me your hands, if we be friends,
And Robin shall restore amends.

CLICK HERE FOR A PDF-FILE OF THE DIAGRAMS

Here are some previous posts concerning the same issues:

  1. Mimetic Theory in High School (click to read)
  2. Types of the Scapegoat Mechanism (click to read)
  3. Scapegoating in American Beauty (click to read)
  4. Philosophy in American Beauty (click to read)
  5. Real Life Cases of Ressentiment (click to read)
  6. Eminem Reads the Bible (click to read)
  7. The Grace of Prostitutes (click to read)

See also: Achever… the Social Sciences (click to read)

Het fascisme van antireligieuze utopisten

•January 30, 2015 • Leave a Comment

[Deze post is een vertaling en herwerking van een vorige post, met name The Fascism of Anti-religious Utopians; ze kadert in de discussie over het vak LEF – klik hier voor meer artikels op de Thomas-website van de KU Leuven].

“Niemand wordt homoseksueel geboren. Homoseksualiteit is een pervertering van de menselijke natuur. Vandaag zijn er al genoeg problemen op het vlak van relatievorming en seksualiteit die onze samenleving ontwrichten. We moeten onze jeugd behoeden voor nog meer seksueel geweld. Wordt het daarom geen tijd dat wij de homoseksuele leraren uit onze scholen ranselen? Zij mogen onze jeugd niet langer corrumperen. Zeg hen: blijf met uw fikken van de ziel van mijn kind!”

Deze redenering is wel eens te horen in veelal eerder rechtse kringen, al dan niet met een religieus sausje. In de nasleep van 9/11 zijn er in de Verenigde Staten zelfs fundamentalistische christenen die terroristische aanslagen beschouwen als “een straf van God” omdat de Amerikaanse samenleving te tolerant zou zijn tegenover “feministen, homo’s en lesbiennes” (dixit bijvoorbeeld Jerry Falwell, op 13 september 2001, in The 700 Club).

Wat mij betreft, wordt deze manier van denken terecht bekritiseerd, en zeker ook als ze komt uit hoeken die zelf niet altijd een toonbeeld van seksuele ethiek blijken. Natuurlijk zullen er homoseksuelen zijn die zich, zoals ook sommige heteroseksuelen, bezondigen aan verkrachtingen en andere vormen van seksueel geweld, maar dat betekent niet dat homoseksualiteit op zich een perversie is. Terecht moeten we homoseksuelen in bescherming nemen tegen discriminerende maatregelen. Het homofobe uitgangspunt is bovendien sterk betwijfelbaar. Dat homoseksuele neigingen genetisch zouden zijn, lijkt mij evenwel geen goed argument om te bepalen of homoseksualiteit geoorloofd is. Een gelijkaardige redenering gaat misschien op voor pedofilie, en dan zouden we, ondanks een eventueel biologische oorsprong, nog altijd besluiten dat deze vorm van seksualiteit moreel verwerpelijk is. In ieder geval zijn er voldoende andere morele en wettelijke criteria om de rechten van homoseksuelen te verdedigen. Er is dus hoop.

De vraag is of ook andere groepen in onze samenleving dezelfde hoop kunnen blijven koesteren. Recentelijk steekt volgende redenering meer en meer de kop op:

“Niemand wordt religieus geboren. Religie is een pervertering van de menselijke natuur. Vandaag zijn er al genoeg problemen op het vlak van religieus gemotiveerd geweld en fanatisme die onze samenleving ontwrichten. We moeten onze jeugd behoeden voor nog meer religieus geweld. Wordt het daarom geen tijd dat wij de levensbeschouwelijke kooplieden uit onze scholen ranselen? (Joël De Ceulaer op de website van Knack, 13 januari 2015). Zij mogen onze jeugd niet langer corrumperen. Zeg hen: blijf met uw fikken van de ziel van mijn kind! (De Ceulaer, ibid.).”

Journalist Joël De Ceulaer en de zijnen stellen al enkele jaren expliciet de vraag om de levensbeschouwelijke vakken in onze scholen te vervangen door “één neutraal vak levensbeschouwing” (het fameuze LEF – “Levensbeschouwingen, Ethiek, Filosofie”), liefst gegeven door “neutrale leraren”. De lijken van de slachtoffers waren amper koud of De Ceulaer lanceerde deze oproep opnieuw naar aanleiding van de aanslag op Charlie Hebdo. Daarmee gaat hij nog een stap verder dan de islamofobie waartoe Filip Dewinter (Vlaams Belang) onlangs weer wou aanzetten in de Kamer. Dewinter zwaaide met een Koran en noemde het boek “de reden van heel wat onheil”. Door zijn oproep voor een vak LEF in de context van islamistische terreurdreigingen te plaatsen, verbreedt De Ceulaer de islamofobie van Dewinter de facto tot een algemene religiefobie.

Zelf ben ik een van de “levensbeschouwelijke kooplieden” die De Ceulaer uit onze scholen wil “ranselen”. Ik zou hem en zijn ideologische bondgenoten graag een aantal bedenkingen voorleggen. Het is ten eerste betwijfelbaar of “religieuze neigingen” niet behoren tot onze natuur. Met name sommige atheïsten gewagen zelfs graag van een “God-gen” dat aan de oorsprong van religieuze gevoeligheden zou liggen. (Eigenaardig wel dat de veronderstelde genetische oorsprong van homoseksualiteit vaak als een argument pro gebruikt wordt, terwijl dat in het geval van religie vaak als een argument contra geldt.) Natuurlijk wordt niemand geboren met een particuliere religie of levensbeschouwing, zoals er ook geen homoseksueel geboren wordt met een particuliere partner, maar de mogelijkheid om een religieuze of seksuele gevoeligheid in een specifieke zin te cultiveren is van bij het begin – al dan niet genetisch – aan de mens gegeven (die gevoeligheden komen in ieder geval niet van Mars). Het contact, van kindsbeen af, met mensen die op een gezonde manier getuigen van hun levensbeschouwelijke verbintenissen kan een inspiratie vormen voor een eigen levensbeschouwelijke zoektocht. Zoals de getuigenis van liefde bij (al dan niet homoseksuele) koppels de eigen kijk op relaties van kinderen en jongeren vormt. Je wacht toch ook niet met het spreken van een bepaalde taal omdat je kind, zoals alle mensen, met talige mogelijkheden geboren wordt maar niet met “één specifieke taal”? Het is precies het intense, niet zelf gekozen contact met één taal dat je kind de vrijheid schenkt om ook andere talen te leren en eigen ideeën te ontwikkelen. Je moet je kind natuurlijk niet wijsmaken dat er geen andere talen zijn. Dat zou de feiten geweld aandoen.

Een levensbeschouwelijke cultuur is in wezen als een taal: geen doel op zich, maar een vertrekpunt dat mensen toelaat om in relatie te treden met een wereld die gekleurd wordt door een veelheid aan talen en culturen. Nu zou je kunnen argumenteren dat een taal noodzakelijker en daarom fundamenteler is dan een levensbeschouwelijke overtuiging, en op basis daarvan een intenser contact met één levensbeschouwelijk perspectief uit het onderwijs weren. Dat is een levensbeschouwelijke optie. Het belang of de waarde van iets laten afhangen van een vraag naar nut, is natuurlijk niet neutraal. Afgezien daarvan is er een steeds groter levensbeschouwelijk analfabetisme in onze samenleving dat eigen problemen met zich mee brengt. Als er dan toch een “nut” moet zijn voor een levensbeschouwelijk vak, ligt het misschien daar. Uit vele verhalen van islamistische “bekeerlingen” blijkt dat het vaak gaat om jongeren die nauwelijks een expliciet islamitische opvoeding kregen. Sommigen hebben zelfs helemaal geen contact met religie tot voor hun plotse bekering. Hun beleving van de Islam is dan ook eerder te begrijpen als het gevolg van bepaalde frustraties en gewelddadige neigingen dan dat ze er de oorzaak van zou zijn.

Tien jaar na 9/11 schreef de militante atheïst Sam Harris op zijn blog: “Vanuit onze onwetendheid, angst en hunker naar orde schiepen we de goden. En onwetendheid, angst en hunker houden ze bij ons.” Het wereldbeeld van religieuze fundamentalisten teert inderdaad op een mix van die menselijke eigenschappen. Het wereldbeeld van antireligieuze fanatici echter evenzeer. Beide groepen beantwoorden de utopische hunker naar orde door hun perspectief op de werkelijkheid te verabsoluteren en eigenlijk te vergeten dat het een perspectief is. De enen noemen hun standpunt “goddelijk”, de anderen “neutraal”, en dat is tweemaal gelogen. Je kan objectiviteit nastreven in levensbeschouwelijk onderwijs, maar geen neutraliteit. Je kan bijvoorbeeld van atheïstische, boeddhistische, christelijke of islamitische leraren verwachten dat ze een gelijkaardig verhaal vertellen als ze het christelijk geloof voorstellen vanuit het werk van Karl Rahner, George Coyne of James Alison – alle drie katholieke theologen. Of vanuit het denken van Ignatius van Loyola, Franciscus van Assisi of Benedictus van Nursia. Vervolgens kun je de dialoog aangaan met andere levensbeschouwelijke perspectieven, met het fundamentalisme van Jerry Falwell bijvoorbeeld. Je kunt ook de vraag stellen hoe je leerlingen zich, vanuit hun eigen culturele achtergrond, verhouden tot die levensbeschouwelijke perspectieven. Maar met een zogezegd “goddelijk” of “neutraal” perspectief valt niet te dialogeren. Dat is gewoon aan te nemen, zonder discussie, en is een vorm van indoctrinatie. Ten slotte cultiveren zowel religieuze fundamentalisten als antireligieuze fanatici ook een cultuur van angst. De zogenaamd verlichte rationaliteit van Harris zelf wordt gevoed door religiefobie. Hij zegt bijvoorbeeld: “Ik denk dat religie de gevaarlijkste ideologie is die we ooit hebben voortgebracht, de voornaamste bron van verdeeldheid.” Bij wie zich angstvallig ingraaft in een ideologische cocon is de onwetendheid groot. Ook bij Harris uit zich dat in zogezegd “nuchtere” stereotyperingen.

Je kan alle overtollige culturele en literaire elementen uit een taal weren en kinderen opvoeden in een overzichtelijk, eenduidig en efficiënt idioom. Daarmee ontzeg je hen echter de toegang tot een groot deel van de menselijke werkelijkheidsbeleving en wie wereldvreemd is, reageert doorgaans angstig op wat niet tot de eigen, verkleinde wereld behoort. En zo is de cirkel rond. Taalarmoede en levensbeschouwelijk analfabetisme houden de spoken van het totalitarisme en fascisme bij ons, of die nu van religieuze of antireligieuze demagogen komen. Angstig moeten we evenwel niet zijn. Het zijn maar spoken van irrealistische maatschappelijke dromen. En spoken bestaan niet. Dat maken de (zowel gelovige als atheïstische) spirituele geesten in ons midden ons vroeg of laat wel weer duidelijk.

The Fascism of Anti-religious Utopians

•January 25, 2015 • 1 Comment

[KLIK HIER VOOR NEDERLANDSTALIGE VERSIE]

1.Right and Left united against “evil religion”, the common scapegoat enemy

“The Qur’an is a licence to kill.”

Filip Dewinter KoranThese words come from Filip Dewinter, one of the leading members of far-right political party Vlaams Belang, who spoke during a session of Belgium’s federal parliament (January 22, 2015).

Dewinter sounds a lot like the members of Islamic State (IS) whose conclusion on the issue of beheadings drawn from their reading of the Qur’an goes as follows:

“The Qur’an justifies these killings.”

It seems a bit ironic, but Dewinter and the members of Islamic State actually agree on the so-called “true nature of Islam”. Dewinter literally echoes the words of Hussein bin Mahmoud, a Jihadi cleric, who said (from an article posted August 21, 2014 on the Shumoukh Al-Islam forum):

Islam-Behead-Infidels“Islam is a religion of power, fighting, jihad, beheading and bloodshed.” 

For some it’s a small step to go from this so-called “true, violent nature of Islam” to the so-called “true, violent nature of religion in general”. That’s in fact an even more extreme version of Dewinter’s discourse and, once again ironically, if Dewinter would deliver that statement he would find some allies on the far-left side of the political spectrum (heir to Marx’s idea that “religion is the opium of the people”). As the French would say, eventually Les extrêmes se touchent”, the extremes meet one another.

In fact, many atheists today believe (hmm, “atheists believe…”), whether from the political “right” or “left”, that “religion must die for mankind to live” (Bill Maher in the mockumentary Religulous). Yet many of them claim to nevertheless have respect for people who believe in God, although some of them make a distinction between “respecting the people” (for instance Muslims) and “disrespecting their belief” (for instance Islam – And then you get things like: “I’m not saying you, as a Muslim, are violent, I’m saying Islam is violent!”). That’s a bit like some Catholics who say that they don’t have any problems with homosexuals, only with homosexuality (“I’m not saying you are perverted, I’m saying your sexuality is!”). For more on this analogy, see below (chapter 4 of this post).

religion is to blameAnyway, as René Girard points out in his mimetic theory, to sacrifice what is considered to bring about violent mayhem – a “scapegoat” – is a mechanism as old as humanity itself. In the words of Karen Armstrong:

As one who speaks on religion, I constantly hear how cruel and aggressive it has been, a view that, eerily, is expressed in the same way almost every time: “Religion has been the cause of all the major wars in history.” I have heard this sentence recited like a mantra by American commentators and psychiatrists, London taxi drivers and Oxford academics. It is an odd remark. Obviously the two world wars were not fought on account of religion . . . Experts in political violence or terrorism insist that people commit atrocities for a complex range of reasons. Yet so indelible is the aggressive image of religious faith in our secular consciousness that we routinely load the violent sins of the 20th century on to the back of “religion” and drive it out into the political wilderness.

2. Mimetic doubling of religious fascism by some (“liberal”) humanists

Our ancestors attributed all sorts of violence to the gods or, more generally speaking, “a sacred realm”. In order to prevent “the wrath of the gods” – experienced in violent rivalry tearing a community apart, but also in the violence of a pandemic or a natural disaster – and receive “peace and order from the gods”, ancient cultures held on to different systems of taboos and rituals. The taboos on violence and the things that were considered to bring about violence could only be transgressed in rituals and sacrificial rituals (which included wars and ceremonial battles). The ritualistic violence of sacrifices, ceremonial battles and wars was considered permissible and necessary violence, sanctioned by the gods, and ultimately aimed at the establishment of a new peace and order. In short, sacrifice – “the good of a stabilized violence” – was considered necessary to expel “the evil of destabilizing violent mayhem”.

Some atheists, dreaming of a “non-religious” world, might pat themselves on the back now and point to the backward nature of the religiously motivated sacrifices by Islamic State:

• Clearly the sacrificial violence of Islamic State (whether suicidal or aimed at others) is primitive and barbaric, rooted in a pre-modern world-view when people could still believe that violence comes from a non-human realm, from a divine or sacred realm.

In short, according to Islamic State, God is violent (although he can grant us peace as well, if we are willing to live according to his rules).

• By using God as a justification for sacrifices the members of Islamic State cowardly try to avoid their own responsibility and accountability for the violent acts they commit. Moreover, the members of Islamic State make themselves dependent on a set of so-called divine rules (sharia), unable to even take responsibility for their own lives as a whole.

In short, the members of Islamic State use God as a scapegoat, blaming God for the violence they commit themselves.

In this regard one would expect that atheists see religion for what it is – at least in this context: religious beliefs and practices are (imaginary) answers to the problem of human violence. Religion is a consequence of the need to deal with our own (tendencies towards) violence. Sure many “islamists” in Europe grew up without religion, or without the religion of their parents (hence the generation gap between some Muslim parents and their radicalized children). The sudden “conversion” of young people in Europe and their violent opinions on Islam can therefore indeed be understood as a consequence of certain frustrations and aggressive tendencies, more than as a cause of those frustrations and aggressive tendencies. The atheist analysis of religiously motivated violence should therefore read as follows:

• In case human beings use violence, this violence comes from a human realm. Violence is not divine or sacred, it is human.

In short, according to atheism, humans are violent (although we can be peaceful as well, of course).

• Atheists claim that God does not exist. A creature that does not exist, cannot be responsible for anything, let alone for the violent acts performed by humans themselves. Humans cannot blame anything other than themselves for violence.

In short, according to atheists, humans carry responsibility for violence.

However, a strange thing occurs in some atheist quarters. The analysis of religiously motivated violence often goes like this:

Gods don't kill people• In case religious people use violence, it is caused by their religion. Since no man is born with a religion, it is clear that the roots of religiously motivated violence lie outside man [as if religion comes from Mars or something, as if religion is alien to (“the true nature of”) man?!]. Of course, it’s true as well that no man is born with any particular language, but the big difference is that we need languages to communicate and work together in order to survive, while we don’t need religion – on the contrary, religion might prevent the survival of the human race! [Note: to determine the value of something by measuring its supposed “usefulness” is not “neutral”, it’s already dependent on a certain outlook on life or world-view].

In short, following this type of reasoning, religion is violent.

According to some atheists, religion is not a consequence of man’s violent tendencies. On the contrary, religion is one of the main causes of man’s violence. Human violence does not cause religion or the need for religious justifications. It’s the other way around: religion causes human violence.

In short, according to some atheists, religion is to blame for violence.

evil-twinThere is a striking resemblance between the way in which some religious fanatics view the reality of religiously motivated violence and the views of some atheists. In the words of René Girard, some atheists are imitative twins or mimetic doubles to their intolerant religious counterparts.

Both groups believe that the roots of violence lie in a realm which somewhat transcends humans (a supernatural or perverted realm respectively). “God orders violence.” Or, “religion causes violence”.

Both groups also share a common view on how to achieve a peaceful world: humans should live according to their “true” nature.

The members of Islamic State believe that humans who live without belief in God (or, more extreme even, without belief in the “true” God) invoke the “violent wrath of God”. Thus peace is only possible if the “infidels” are willing to sacrifice their pagan or secular opinions and lifestyle, and convert to God. If they are unwilling to sacrifice their sinful way of life, they should be sacrificed in order to prevent more “violent wrath of God”.

Some atheists believe that humans who live with belief in God are sustaining some of the major conditions that invoke violence. In the words of Bill Maher (again from his mockumentary Religulous):

Religion is dangerous… This is why rational people, anti-religionists, must end their timidity and come out of the closet and assert themselves. And those who consider themselves only moderately religious really need to look in the mirror and realize that the solace and comfort that religion brings you actually comes at a terrible price.

sam harris religion is dangerous

Thus peace is only possible if “theists” are willing to sacrifice their barbaric and primitive opinions and lifestyle, and convert to atheism. After all, according to these atheists, no human being is born with a religion, hence the truly “natural” state of man is non-religious. Note: the zealous advocates of an “Enlightened Reason” that is supposedly very different from “all those fear-rooted religions” constantly refer to “the dangers of religion”. Quite ironic. Ah, well…

Sam Harris fear

3. The Fascism of Anti-religious Utopians – Joël De Ceulaer joins Filip Dewinter

The atheist camp might point to a difference that still seems to exist between “theists” and “atheists”. Although some atheists ask theists to consider abandoning their beliefs, they don’t use any violence against people. At best they use “verbal violence” against “weird ideas” or “weird behaviors” – you know, again, this is analogous to some Catholics who tolerate gay people while condemning homosexuality. They don’t sacrifice people, unlike some theists. Some regard this as a confirmation of their claim that it is really religion that drives people to violence. Moreover, most atheists are able to tolerate religious people, even if their religion is the cause of so much violence! Surely, atheism leads to a better, more tolerant world, no?

The so-called “humanist” atheist tolerance towards “theists” often comes across a bit strange. The atheist who stresses that the belief of his fellow man “is not a problem” to him actually implies that “this could be an issue in normal circumstances”. As if it’s not self-evident. As if the atheist is in the superior position from which he grants the theist the right to be who he is or wants to be. What if people who claim tolerance towards gay people would stress that they don’t have any problems with gay people every time they meet someone who is gay? A bit odd…

But, oh, I forgot to mention other signs of tolerance among atheists. Many of them have no problem whatsoever to attend Turkish restaurants run by Muslims. Also, many atheists already paid a visit to a mosque. Of course none of them would consider conversion to Islam a reasonable option, but look, even if they know that they are in the superior, more progressed and enlightened position, they still take the time to get to know a little bit more about a “less advanced” culture.

Joel De Ceulaer Patrick Loobuyck Jan HautekietDespite the seeming tolerance, intolerance towards religious people is never far in some atheist quarters. In the wake of the terrorist attacks on Charlie Hebdo, Belgian journalist Joël De Ceulaer expands the Islamophobia of Filip Dewinter to religiophobia. Unlike Dewinter, who still somewhat tried to make a distinction between the Qur’an and Muslims, De Ceulaer immediately becomes personal. The journalist and his ideological friends want to “get rid of all merchants of religion and other world-views” in Belgian schools and replace their respective curricula by one, supposedly “neutral” curriculum on “world-views, ethics and philosophy” (Dutch: “LEF – Levensbeschouwingen, Ethiek, Filosofie”), taught by “neutral” teachers. It’s still not clear what a “neutral” use of rationality and science to study different world-views actually looks like, but De Ceulaer (interviewed on Belgian television program Reyers Laat, January 19, 2015) is convinced that:

“It is a train that cannot be stopped.”

Wow. A neutral curriculum as an antidote to the violence of religious fanatics. It seems De Ceulaer is one of those utopistic atheists John Gray writes about in an article for The New Statesman (October 1, 2014):

The idea that religion is fading away has been replaced in conventional wisdom by the notion that religion lies behind most of the world’s conflicts. Many among the present crop of atheists hold both ideas at the same time. They will fulminate against religion, declaring that it is responsible for much of the violence of the present time, then a moment later tell you with equally dogmatic fervour that religion is in rapid decline. Of course it’s a mistake to expect logic from rationalists. More than anything else, the evangelical atheism of recent years is a symptom of moral panic. Worldwide secularisation, which was believed to be an integral part of the process of becoming modern, shows no signs of happening. Quite the contrary: in much of the world, religion is in the ascendant. For many people the result is a condition of acute cognitive dissonance.

As I already mentioned, both religious and anti-religious fanatics claim that religiously motivated violence is ultimately rooted in a realm that transcends human nature (a supernatural or alienating/perverted realm respectively). Both camps also claim to have access to “The Truth”. The members of Islamic State claim to possess the source of full knowledge (that is, within the limits of human possibilities) of “what’s true” and “what’s right”, revealed to them in the Qur’an. De Ceulaer and his lobbyists also claim to possess the source of full knowledge (again, within the limits of human possibilities) of “what’s true” and “what’s right”, namely reason and science.

In short, both religious and anti-religious fanatics are convinced that they can occupy a viewpoint which transcends “all particular viewpoints”. Call it Divine, call it Neutral – I call it Totalitarian and Idolatrous, implying the self-divinization of Man and the disappearance of any true belief in a transcendent realm. One can expect OBJECTIVITY from teachers of religion and world-views, NOT NEUTRALITY. Atheist, Buddhist, Christian or Islamic teachers who present Christianity from the viewpoints of, say, Karl Rahner, George Coyne or James Alison (all Catholic theologians) will tell similar things to their students if they’re objective. They will be able to confront those views with the views of fundamentalists like Jerry Falwell and Pat Robertson. With the views of past Catholics like Benedict of Nursia, Francis of Assisi or Ignatius of Loyola. They will be able to point to similarities and differences. They will also create the possibility of a dialogue with the perspectives and cultural background of their students. A so-called “DIVINE” or “NEUTRAL” viewpoint does not call for dialogue. It demands to be accepted without any discussion, and is a form of mind control or brainwashing.

merchants of religionI’m one of those so-called “merchants” De Ceulaer refers to. What am I selling, according to him? Lies – maybe even deliberately? Violence? When will I be replaced by a colleague who teaches from the “neutral”, state-imposed viewpoint? Clearly, this has to be done – and I will give De Ceulaer one more reason to demonize the “merchants” – because I will never ever claim or agree to speak from a so-called “neutral” perspective. That would be the biggest lie! I’m trying to teach what Christianity is all about from a Catholic perspective (“a”, not “the”). This should enable my students to form their own opinions on Catholicism, but also on other types of Christianity, and other religions and world-views, because I’m able to point to differences and similarities from my particular perspective. Rest assured, it is not my task to try to convert people to Catholicism, it is my task to enable them to form their own opinions on things they very often know nothing about.

While I wait for De Ceulaer’s unstoppable train of “a state-imposed neutral viewpoint” (I thought we were passed the violence – indeed! – of totalitarian atheist regimes in Europe), there’s another train coming as well. De Ceulaer’s words inadvertently made me think of a statement by Islamist preacher Anjem Choudary, who was interviewed by CNN-host Brian Stelter (on the August 31, 2014 edition of the program Reliable Sources):

“I believe that the Sharia is the best way of life. I believe that one day it will come to America and the rest of the world.”

Apparently we are living in “end times”.

The apocalyptic battle is on. Which train will win?

 freedom of speech megaphone

4. Some more words on the religion/homosexuality analogy

Some atheists say:

“No man is born religiously, religion is a perversion of human nature.”

Note: some argue that the inclination to believe in God can be situated in the brain – since when are brains “unnatural”? Of course, it is not because something is “natural” that it is “good” – maybe pedophilia is also a natural inclination, that doesn’t mean it’s good. It is quite funny, though, how some atheists argue that homosexuality should be allowed because of a “gay gene”, while at the same time they argue that theists should no longer allow their faith because of a “God gene”.

Some religious people (but there are atheists as well who think like this) say:

“No man is born gay, homosexuality is a perversion of human nature.”

Well, of course no one is born with a particular gay partner and a particular way to experience his homosexuality, but the homosexual inclination is there. And no, lovingly or passionately talking about a partner is not synonymous with an attempt to convince other people that they should also start an intense relationship with that partner. They’re still free to choose their own partners, but at least they get a testimony on what it means to be in a relationship with someone.

Are there homosexuals with a distorted, disrespectful sexual life (disrespectful towards other gays)? Sure, like there are heterosexuals with a distorted sexuality; this doesn’t mean that homosexuality as such is a perversion.

Well, of course no one is born with a particular religion and a particular way to experience his sense of awe for what transcends human life (atheists have this spiritual experience as well as theists), but we could argue that a “religious inclination” is there. And no, lovingly or passionately talking about a religion is not synonymous with an attempt to convince other people that they should also start an intense relationship with that religion. They’re still free to choose their own religions, but at least they get a testimony on what it means to be religious.

Most sexual relationships don’t involve rape. The same reasoning goes for religion: most religious beliefs and conducts don’t involve violence. Of course, certain media and polarizing populists often don’t like “the ordinary” – they go for “the sensational”.

Are there religious people with a distorted, disrespectful religious life (disrespectful towards other people)? Sure, like there are atheists with a world-view that encourages disrespectful attitudes towards other people; this doesn’t mean that every religion or world-view is a perversion.

Anyway, some fundamentalist Christians blame homosexuals for some of the main evils in the world (click here for my previous post on this), like some atheists blame religious people (“people with gods kill people”) for some of the main evils in the world. That’s why De Ceulaer says: “Get rid of the merchants of religion in our schools!” As if we’re perverting the youth. This mirrors the reasoning of some religious fundamentalists who ask to “Get rid of the merchants of sexual perversion – homosexuality – in our schools!” As if gays are perverting the youth.

The paradox is that so-called “anti-religionists” create a new religious structure according to a scapegoat mechanism. However, there are enough spiritual minds (whether theist or atheist) who can free us from our scapegoating impulses (whether theist or atheist).

Conclusion:

Every ideological, non-spiritual religion its scapegoat, whether atheist or theist?

Mythical Thinking after 9/11

•January 18, 2015 • 2 Comments

René Girard is among those scholars who like to point to the similarities between myths from around the globe. In this regard his work follows in the footsteps of people like James Frazer, Carl Jung, Joseph Campbell and Mircea Eliade. Girard’s explanation of the source of mythological structures and motives, however, is quite different from the approaches of his colleagues. Girard maintains that the archetypal mythological pattern is eventually rooted in a so-called scapegoat mechanism, following a typical ritualistic pattern that is rooted in the same mechanism (for more on this, click here).

Aztec human sacrificeMyths can be considered as tales which contain the worldview of a culture, transmitting from generation to generation the belief that certain phenomena (from certain things to certain persons and acts) are sacred or belong to the gods. Traditionally, the realm of the gods or the sacred is also the realm of violence. If the sacred order of things is not respected or approached in a proper (i.e. ritualistic) way it brings about violent chaos, diseases, death and destruction in the (human) world. Next to connecting chaotic situations to the realm of the sacred (portraying chaos as “the wrath of god(s)” or “bad karma”), myths also contain messages on how to transform sacred disorder into sacred order. Following René Girard, myths can thus be understood, more specifically, as justifications of certain taboos and of certain types of sacrifice which should help to conserve or renew order in the world.

In short, according to René Girard, mythical thinking consists in connecting violent mayhem, natural disasters and contagious diseases to “god(s)” or “a sacred realm”. As such, violent mayhem etc. are explained as necessary moments of disorder from which a new order is generated. This never ending mythical cycle of “disorder – order – disorder – order – …” at the same time often functions as justification of the sacrifice of certain people whose death should bring about order.

A comparison between some ancient myths and contemporary interpretations of today’s international terrorism makes clear that mythical thinking as Girard understands it is on the rise again, especially in an eschatological sense and also in secular circles that hold on to a naïve version of the myth of human progress. Just take a look at the schematic presentation below presenting the mythical structure, time and again… (for more on the sexist implications of many myths, click here).

A) The Greek myth of Prometheus stealing fire from the gods

Prometheus Gustave Moreau1) A WORLD ORDER
(“ORDO” or “COSMOS”)
with a clear distinction between different realms
=> Fire belongs to the gods and is considered TABOO

2) (TRANSGRESSION OF TABOOS brings about) A MOMENT OF DISORDER
(“MANQUE” or “CHAOS”/“CRISIS”)
with a challenge (the “call”) to restore the balance in the world
=> Prometheus steals the fire from the gods

3) Some kind of SACRIFICE (as the pinnacle of a “HERO’S JOURNEY” or “QUEST”)
with a transformation of the identity of the hero figure(s) – into “monster(s)” or “savior(s)”
=> Prometheus is banned to the Caucasus mountains, where he is chained and tortured

4) GOAL = A (RE)NEW(ED) WORLD ORDER
(“ORDO”)
again with clear distinctions between different realms

B) The Hebrew myth of Adam and Eve in the Garden of Eden

• A WORLD ORDER
(“ORDO” or “COSMOS”)
with a clear distinction between different realmsAdam and Eve driven out of Eden by Gustave Dore (1866)
=> Fruits of the Tree of Knowledge belong to God and are considered TABOO

• (TRANSGRESSION OF TABOOS brings about) A MOMENT OF DISORDER
(“MANQUE” or “CHAOS”/“CRISIS”)
with a challenge (the “call”) to restore the balance in the world
=> Adam and Eve “eat from the forbidden fruit”
[from a comparison with the Song of Songs: this is a transgression of the taboo on sex]

• Some kind of SACRIFICE (as the pinnacle of a “HERO’S JOURNEY” or “QUEST”)
with a transformation of the identity of the hero figure(s) – into “monster(s)” or “savior(s)”
=> Adam and Eve are banned from Eden and have to accept a life with suffering and death

• GOAL = A (RE)NEW(ED) WORLD ORDER
(“ORDO”)
again with clear distinctions between different realms

C) The Greek myth of Oedipus

• A WORLD ORDER
(“ORDO” or “COSMOS”)
with a clear distinction between different realms
=> Killing the “father-king” and taking the “mother-queen” is considered TABOO
[Note: “thanatos” and “eros” motif]

• (TRANSGRESSION OF TABOOS brings about) A MOMENT OF DISORDER
(“MANQUE” or “CHAOS”/“CRISIS”)
with a challenge (the “call”) to restore the balance in the world
=> Oedipus kills his father, the king, and marries his mother, the queen and allegedly causes a plague in the city of Thebes

Oedipus stabs out his eyes• Some kind of SACRIFICE (as the pinnacle of a “HERO’S JOURNEY” or “QUEST”)
with a transformation of the identity of the hero figure(s) – into “monster(s)” or “savior(s)”
=> Oedipus stabs out his eyes and goes into exile

• GOAL = A (RE)NEW(ED) WORLD ORDER
(“ORDO”)
again with clear distinctions between different realms

D) A religious fundamentalist mythical interpretation of 9/11 (“end times”)

(Jerry Falwell & Pat Robertson)

• A WORLD ORDER
(“ORDO” or “COSMOS”)
with a clear distinction between different realms
=> Types of relationships which differ from the “traditional”, patriarchal family are TABOO

• (TRANSGRESSION OF TABOOS brings about) A MOMENT OF DISORDER
(“MANQUE” or “CHAOS”/“CRISIS”)
with a challenge (the “call”) to restore the balance in the world
=> Feminists, gays, lesbians and other “liberals” challenge the patriarchal family structure

• Some kind of SACRIFICE (as the pinnacle of a “HERO’S JOURNEY” or “QUEST”)
with a transformation of the identity of the hero figure(s) – into “monster(s)” or “savior(s)”
=> Two days after the terrorist attacks of 9/11, Jerry Falwell and Pat Robertson, two evangelicals, shared their “theological” views on the terrorist violence (transcript from the 700 club, a well-known evangelical television program in the States – September 13, 2001). Especially these comments are telling (for more, watch the video below the transcripts):
survivors of 9-11 attacksJERRY FALWELL: The ACLU’s got to take a lot of blame for this.
PAT ROBERTSON: Well yes.
JERRY FALWELL: And, I know that I’ll hear from them for this. But, throwing God out successfully with the help of the federal court system, throwing God out of the public square, out of the schools. The abortionists have got to bear some burden for this because God will not be mocked. And when we destroy 40 million little innocent babies, we make God mad. I really believe that the pagans, and the abortionists, and the feminists, and the gays and the lesbians who are actively trying to make that an alternative lifestyle, the ACLU, People For the American Way – all of them who have tried to secularize America – I point the finger in their face and say “you helped this happen.”
PAT ROBERTSON: Well, I totally concur…

In other words, 9/11 is interpreted as an unavoidable SACRIFICE, sanctioned by God; it is “the wrath of God” caused by people who keep on transgressing “sacred” laws and taboos. This sacrifice manifests itself in a twofold manner: the autoaggression of the terrorists’ suicide implies the heteroaggression against the victims in the planes and the twin towers.

Conclusion: “Secularists” or “the secularist lifestyle” (as Falwell and Robertson understand this – which corresponds to the Islamic fundamentalists’ notion of “the satanic West”) should be abandoned or banned.

• GOAL = A (RE)NEW(ED) WORLD ORDER
(“ORDO”)
again with clear distinctions between different realms

To conclude this post, I’d like to mention an article by John Gray on the book The Pursuit of the Millenium by Norman Cohn. Gray points to the eschatological myths of religious and secular political ideologies, from Christian Millenarianism (especially in today’s context we might think of Islamic Millenarianism as well) to Nazism and Communism. All these ideologies have justified sacrifices and massacres to bring about a new world order, a “paradise” – hence every utopia turns into dystopia… At the end of his article, Gray also warns for new versions of the eschatological myth in “liberal humanism”:

There is a line of reasoning which accepts that totalitarian ideologies were shaped by apocalyptic and utopian thinking, while insisting that liberal humanism is entirely different. They – the Nazis and communists – may have been deluded and irrational; we – enlightened meliorists – have purged our minds of myth. In fact, the belief in progress in ethics and politics, which animates liberal rationalism, is itself a myth: a view of history as a process of redemption without the Christian belief in a single transforming event, but nonetheless a faith-based narrative of human salvation. It is obvious that human life can sometimes be improved. Equally, however, such gains are normally lost in the course of time. The idea that history is a process of amelioration is an article of faith, not the result of observation or reasoning.

Reading Cohn will not lead secular thinkers to relinquish their cherished myths. The need to believe in them is far more powerful than intellectual curiosity. But, for those who want to understand the origins of the conflicts of the past century and the present time, The Pursuit of the Millennium may be, as it was for me, a life-changing book.

Considering all this, we might want to rethink the concept of “eschatological battle” as a struggle we have to face within ourselves, in the depths of our soul… The true fight is a spiritual one, as we are converted from our human violence (and all our man-made gods, idols and ideologies justifying that violence) to the absolute non-violence of the God of Love, The Merciful One… 

The challenge is to build an order and a “peace” that is not built on the violence of sacrifices, but to build a peace that allows for “non-violent conflicts…” (a “non-totalitarian peace”).

Als het geweld zegeviert…

•January 8, 2015 • Leave a Comment

… is God dood? … is de Mens dood?

De religieuze fanaticus die terroristische daden pleegt, verschuilt zich achter “god”.

De atheïst zal hem vertellen dat die “god” niet bestaat.

De atheïstische analyse van religieus gemotiveerd geweld leidt tot de onvermijdelijke conclusie dat niet “god” het probleem is – dat wezen bestaat dan immers niet – maar wel “de mens”.

De vraag is dus, vanuit de atheïstische analyse, welke menselijke eigenschappen aan de oorsprong liggen van het geweld dat in naam van al dan niet religieuze ideologieën (alweer creaties van de mens) wordt gepleegd.

Een mens zou er moedeloos van worden…

fundamentalism same coinKunnen we nog geloven in de mens, in onszelf, als we de geschiedenis overzien en beseffen tot welke vormen van geweld we in staat zijn?

Kunnen we nog geloven in de mens als we denken aan de kruistochten, de shoah, de goelag, de genocide in Rwanda, etc.?

Kunnen we nog geloven in de mens als we denken aan haatpredikers en haatpropaganda – van nazistische karikaturen van Joden en fundamentalistische christenen die korans verbranden tot extremistische moslims die oproepen tot daden van terreur?

Naar aanleiding van de terroristische aanslagen op de redactie van het Franse satirische weekblad Charlie Hebdo (gisteren, 7 januari 2015), heb ik nog eens een van de artikelen van onder het stof gehaald die ik schreef voor het weekblad Tertio (7 september 2005). Ik probeerde hierin de maatschappelijke context te schetsen waarin het hedendaagse godsdienstonderwijs functioneert. Het sociologische aspect van dit artikel was grotendeels gebaseerd op het werk van politicologen/sociologen als Benjamin Barber en Manuel Castells, maar ook de mimetische theorie van René Girard speelde een niet te onderschatten rol in de analyse (wie vertrouwd is met deze theorie zal dat onmiddellijk merken bij het lezen van het artikel).

dialogueJammer genoeg is er sinds 2005 weinig veranderd. Een levensbeschouwelijke dialoog zou moeten bijdragen tot de ontwikkeling van het broodnodige vertrouwen tussen mensen met uiteenlopende overtuigingen. Alleen wordt die dialoog onvoldoende ontwikkeld. Daardoor kan humor door haatpredikers gemakkelijk voorgesteld worden als “een aanval op de identiteit”. Een context waarin mensen elkaar vertrouwen maakt zelfrelativerende humor mogelijk. Als die ontbreekt wordt “plagen” al te gemakkelijk geïnterpreteerd als “pesten”, en dan springen mensen op de kar die niets liever doen dan polariseren…

In de Verenigde Staten krijgen de zogezegd “linkse rakkers” (liberals) van The New York Times en The Washington Post het verwijt, vanuit rechts conservatieve hoek (conservatives), dat ze toegeven aan de moslimterroristen omdat ze de cartoons van Charlie Hebdo niet publiceren… “Links” zou “te vriendelijk” zijn voor de islam en voor de moslims. Ook wat dat betreft, is er aan de oppervlakte van de polarisering weinig veranderd sinds 2005…

Hieronder het artikel – klik op de afbeeldingen om ze te vergroten:

Tertio 7 september 2005Tertio 7 september 2005_2

P.S.: Intussen laait ook de discussie over het godsdienstonderwijs opnieuw op. Vanmorgen (dinsdag 13 januari 2013) op Radio 1 ging het programma Hautekiet over de vraag of alle levensbeschouwelijke schoolvakken afgeschaft moeten worden (met opnieuw een pleidooi voor LEF – levensbeschouwing, ethiek en filosofie).

Enkele bedenkingen (voor meer: klik hier om “(Theïstisch?) Sermoentje” te lezen):

Levensbeschouwelijke apartheid afschaffen: natuurlijk!

Maar vanwaar toch de pretentie dat er zoiets zou bestaan als een “neutraal” perspectief aangaande levensbeschouwingen?

Twee zaken onderscheiden:

1) Een wetenschappelijk verantwoorde studie van levensbeschouwingen (om vragen te beantwoorden als: “Hoe worden de verschillende literaire genres in de Bijbel geïnterpreteerd – zowel vroeger als nu?”, of “Welke visie op God komt aan de oppervlakte in het soefisme?”, of nog “Wat zijn de voornaamste verschillen in levensvisie tussen eerder westerse ‘lineaire’ levensbeschouwingen die groeiden uit de joods-christelijke tradities, en eerder (ver) oosterse ‘cyclische’ levensbeschouwingen die groeiden uit de hindoeïstische tradities?”).

2) Levensbeschouwelijke reflectie en het maken van levensbeschouwelijke keuzes. Dit proces gebeurt grotendeels buiten de schoolmuren, zelfs als kinderen op school een of ander confessioneel vak krijgen. De wetenschappelijk verantwoorde dialoog met een confessioneel vak, dat zich niet profileert als “neutraal” of “de objectieve waarheid in pacht hebbend”, kan een model zijn om levensbeschouwelijke dialoog en reflectie een plaats te geven in het eigen leven (je moet niet alle talen van de wereld krijgen op school om aan de hand van enkele talen te leren hoe “een taal” eigenlijk werkt en zelf andere talen te gaan studeren).

Kortom, het streven naar “objectiviteit” (wetenschappelijk verantwoorde studie van levensbeschouwingen) mag niet verward worden met “neutraliteit” (een pedagogische positie die niet zou berusten op levensbeschouwelijke keuzes).

De verwarring van “objectiviteit” en “neutraliteit” is kenmerkend voor iedere vorm van (religieus of seculier) totalitarisme dat meent “dé waarheid” in pacht te hebben.

Bij wijze van uitdrukking (voor de secularisten onder ons ;) ): “God behoede ons voor een maatschappelijk scenario zoals dat beschreven wordt in George Orwells 1984!”

Bij wijze van analogie: porno op het internet, vrouwenhandel en verkrachtingen verdwijnen niet als je van seks een taboe maakt op scholen… Misschien zelfs integendeel? Seksuele opvoeding is meer dan het verschaffen van encyclopedische kennis over de seksuele daad…

 
Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 1,226 other followers